De troef van Obama: hoop is gratis

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de Amerikaanse behoefte aan hoop.

‘Een historische dag’. ‘Een breuk met het verleden’. ‘Een betere toekomst’. De veertig miljoen Amerikanen die vorige maand live of via de televisie getuige waren van de inauguratie van Barack Obama als 44ste president van de Verenigde Staten, kwamen bijna allemaal superlatieven te kort. Nog nooit genoot een president bij zijn aantreden zo veel vertrouwen van de bevolking als de huidige. Ruim 70 procent van de Amerikanen denkt dat Obama de economie er weer bovenop zal helpen, 68 procent gelooft dat het land als geheel er over vier jaar beter voor zal staan. Meer dan de helft is zelfs positiever over Obama gaan denken sinds zijn verkiezing in november – een record. De rest van de wereld is al even hoopvol: uit een peiling van BBC World in zeventien landen blijkt dat 67 procent van de ondervraagden denkt dat de wereld ten goede zal veranderen onder de nieuwe president.

Uit deze voor politieke begrippen ongekend uitgelaten stemming kan in ieder geval één ding worden opgemaakt: de behoefte aan hoop op een betere wereld moet groot zijn geweest. Deels is die behoefte natuurlijk te wijten aan het beleid van Obama’s voorganger. George W. Bush heeft de wereld ruim zeven jaar lang bestookt met een retoriek van gevaren (‘axes of evil’, ‘war on terror’) en laat die nu achter met twee uitzichtloze oorlogen en een wereldwijde economische crisis. Hoop op een betere wereld was onder zijn presidentschap ver te zoeken. Maar wie het werk van de Braziliaanse filosoof Luiz Eduardo Soares (1954) erop naslaat, ontdekt dat de behoefte aan hoop ook nog andere oorzaken zou kunnen hebben en die al voor het presidentschap van Bush opspeelden.

Volgens Soares is „de overeenstemming over de mogelijkheid en wenselijkheid van wederzijds begrip en het stichten van vrede” namelijk al meer dan twintig jaar sterk verminderd, waardoor de hoop op een betere wereld langzaam maar zeker verloren is gegaan. De filosoof beschouwt twee trends als voornaamste oorzaken van dat verlies. Ten eerste is er sinds het einde van de jaren 80 „een opleving geweest van onderdrukte haat en agressie, ingebed in etnische, religieuze en nationalistische identiteiten”. Conflicten in onder andere Somalië (1988), India (1989 en 1993), Irak en Koeweit (1990), Rwanda (1990), Algerije (1991), Bosnië (1993), Burundi (1993), Kongo (1998), Tsjetsjenië (2000) en Israël-Palestina (2000), die tezamen naar schatting twee miljoen mensen het leven hebben gekost, sloegen het geloof in vrede aan gruzelementen. Wie de harde realiteit onder ogen zag, besefte dat hopen op betere tijden eerder gevaarlijk naïef was dan het nastreven waard.

Tegelijkertijd „groeide het postmoderne scepticisme in aanzien”, aldus Soares. Deze tweede, filosofische trend maakte dat termen als ‘gelijkheid’, ‘rechtvaardigheid’ en ‘universele waarden’ verdacht werden, of op z’n minst ongeloofwaardig. Postmoderne filosofen beschouwden deze termen als utopisch; een rechtvaardige samenleving waarin iedereen gelijke kansen en gelijke welvaart zou genieten, zou alleen mogelijk zijn in een wereld zonder machtsverhoudingen – en een wereld zonder machtsverhoudingen is nu eenmaal onbestaanbaar. Een betere wereld zou dus altijd een kwestie van machtsstrijd blijven; er alleen op ‘hopen’ werd ook in de filosofie steeds meer beschouwd als zwak in plaats van als bewonderenswaardig.

Het voorgaande maakt begrijpelijk waarom president Obama zoveel mensen hoopvol stemt. Ten eerste heeft hij het beslechten van de grootste conflicten in de wereld tot de hoogste prioriteit gemaakt. Zijn eerste telefoontje als president ging naar de Israëlische leider Mahmoud Abbas om te spreken over een verplichting tot het actief streven naar Arabisch-Israëlische vrede. Ook vroeg Obama onmiddellijk de Saoedische koning Abdullah om hulp bij het tegengaan van wapensmokkel naar de Gazastrook. En een dag na zijn aantreden organiseerde de president al een bijeenkomst met zijn hoogste militaire officieren ter voorbereiding van de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak. Obama’s pragmatische werkwijze blaast het geloof in de mogelijkheid van vrede, die door de talloze conflicten verloren was gegaan, weer nieuw leven in.

Tegelijkertijd, en dat is al even belangrijk, bestrijdt de nieuwe president in zijn retoriek ook het postmoderne scepticisme dat volgens Soares te veel aanzien had verworven. Zo pragmatisch als Obama in zijn handelen is, zo idealistisch is hij in zijn toespraken. Ook zijn eerste toespraak als president was bezaaid met antipostmoderne vergezichten als: „Wij kunnen niet anders dan geloven dat haat ooit zal verdwijnen […] en dat onze gedeelde menselijkheid zich zal tonen”. En: „Amerika is een vriend van ieder land – van alle mannen, vrouwen en kinderen die streven naar een vredig en waardig bestaan”. Obama brengt hiermee, om met de woorden van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) te spreken, „realiteit en rechtvaardigheid bij elkaar” – een combinatie die in de filosofie decennia lang voor onmogelijk werd gehouden.

Toch blijft de vraag of de hoop die op Obama is gevestigd niet een beetje té groot is. Rorty constateert in zijn boek Philosophy and Social Hope (1999) dat Soares over het hoofd heeft gezien dat er nóg een reden is dat de hoop op een rechtvaardige wereld was vervlogen: de laatste twee politieke projecten die zo’n wereld moesten creëren, zijn hopeloos mislukt. Ten eerste was er de val van het communisme in 1989. Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie kwam, na een Koude oorlog van meer dan vijftig jaar, een einde aan de droom van Karl Marx van een klasseloze maatschappij waarin iedereen gelijk en gelijkwaardig zou zijn – met miljoenen doden als resultaat.

Ten tweede maakte ook het westerse alternatief zijn ideaal niet waar: de vrije markt, waarmee welvaart en kansen voor iedereen over de wereld zouden worden verspreid, kon die belofte niet inlossen. Integendeel, de kloof tussen arm en rijk is nog altijd gigantisch en is door de vrije markt misschien zelfs wel gegroeid. Europa en de VS, samen goed voor 15 procent van de wereldbevolking, bezitten meer dan de helft van alle rijkdom in de wereld. In Amerika is de kloof zelfs nog groter: de rijkste 1 procent van de bevolking bezit ongeveer even veel als de onderste 90 procent samen.

Het grote probleem van Obama is dan ook dat deze twee falende idealen Amerika nu meer parten spelen dan ooit. Aan de ene kant is het probleem van het communisme weer prominent op het wereldtoneel verschenen: China is een van de sterkst groeiende naties ter wereld, in welvaart en macht, maar laat zich ondertussen weinig gelegen liggen aan de naleving van de normen en waarden die Obama zo hoog in het vaandel draagt. En ook de dreiging van een nieuwe Koude Oorlog is weer reëler dan ooit: Iran heeft al bijna de capaciteit om een kernwapen te bouwen, meldde The New York Times twee weken geleden.

Ten slotte is er nog de dramatische val van de vrije markt. De kredietcrisis heeft zich wereldwijd verspreid, waardoor een grootschalige recessie onvermijdelijk is geworden. De enorme investeringen in de economie die Obama heeft aangekondigd – oplopend tot meer dan een biljard dollar – kunnen misschien tijdelijk soelaas bieden, maar onvermijdelijk blijft dat Amerika de komende jaren opgescheept zit met een bijna ondraaglijk groot begrotingstekort. De opwaartse mobiliteit (de kans dan mensen uit lagere economische klassen zich kunnen opwerken naar hogere klassen) is al sinds de jaren 70 gestagneerd, en zal de komende jaren dan ook zeker niet groter worden, concludeerde het tijdschrift Newsweek vorige maand.

Echt veel aanleiding om te hopen op een betere wereld is er dus eigenlijk niet. Maar dat betekent natuurlijk niet dat Obama zijn hoopgevende manier van politiek bedrijven daarom vaarwel moet zeggen. Hoop is immers gratis – je kunt er weinig mee verliezen. Als de hoop uiteindelijk ijdel blijkt, ben je slechts een illusie armer. En er zijn ergere dingen om kwijt te raken. Of, zoals Rorty al constateerde: „Utopische sociale hoop is nog altijd de nobelste denkbeeldige creatie die de mens ooit heeft voortgebracht.”