Oud-rechter Davids is vooral neutraal

De relatief onbekende jurist Willibrord Davids is een stille kracht in het landelijk openbaar bestuur in Den Haag.

Mr. Willibrord Davids (70) is net met pensioen als president van de Hoge Raad der Nederlanden of hij moet alweer opdraven. Nu om de commissie voor te zitten die voor premier Balkenende een onderzoek doet naar het kabinetsbesluit de inval in Irak politiek te steunen.

Davids is één van die stille krachten in het landelijk openbaar bestuur in Den Haag die vrijwel niemand kent, maar die bij staatsdiners toch altijd aan een belangrijke tafel zit. Davids is klein van stuk, makkelijk in de omgang en heeft altijd een kwinkslag in voorraad. Hij werkte 22 jaar bij de Hoge Raad, waarvan de laatste 4,5 jaar als president – een anciënniteitsbenoeming. Hij was als oudste aan de beurt.

Davids was kandidaat-notaris, wetenschappelijk docent, rechter en vicepresident in Assen voordat hij in 1986 bij de Hoge Raad terechtkwam. Wie hem wat beter kent mag ‘Brord’ zeggen en dat is al vrij gauw. Davids is geen man van formaliteiten. Na zijn pensionering is hij benoemd tot voorzitter van de Restitutiecommissie die zich bezighoudt met teruggave van kunstbezit dat verloren ging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Gevraagd om een typering van zijn rechterschap zei Davids ooit dat het cliché van de weegschaal wel voor hem opgaat. Iedere zaak benadert hij naar eigen zeggen neutraal, waarbij het afwegen, reflecteren en van alle kanten bekijken van de kwestie voor hem de schoonheid van het ambacht vormde. De oplossing, het oordeel, omschreef hij als een ‘Aha’-gevoel, een moment van inspiratie. „Dan kan je in de bus zitten of op de fiets, in de tuin. Dan denk je opeens – nou heb ik ’m.” Davids deed bij de Hoge Raad vooral strafzaken.

Als president was hij geen typische vertegenwoordiger van de ‘traditie en behoudzucht’ die met de Hoge Raad worden geassocieerd. Als president toonde hij zich bijvoorbeeld voorstander van toetsing van de wet aan de Grondwet. „Als je de Grondwet serieus neemt, moeten wij er ook aan mogen toetsen. Ik kan mijn collega’s in Europa nooit uitleggen dat wij dat niet mogen”, zo zei hij in het maandblad M van deze krant.

Toen er discussie ontstond over rechters die lid waren van de Eerste Kamer, op dat moment zelfs twee tegelijk, liet hij ook van zich horen. Hij vond dat principieel onwenselijk. De schijn van partijdigheid werd er volgens hem letterlijk door gewekt.

De wens van het Openbaar Ministerie om vrijgesproken verdachten opnieuw te mogen vervolgen als er nieuw, doorslaggevend bewijs is, noemde hij „zeer riskant”. Dat leek hem een schending van de regel nooit tweemaal een persoon te vervolgen voor hetzelfde feit. Hij wees er op dat Nederland zelf nooit veroordeelde (of vrijgesproken) burgers uitlevert aan andere landen als ze daar het risico lopen opnieuw te worden berecht.

Bij zijn vertrek eind vorig jaar liet hij een rapport achter waarin voor een drastische beperking van de instroom van het aantal zaken bij de Hoge Raad wordt gepleit. Hij zei in deze krant dat de Hoge Raad „het water aan de lippen staat”. Het hoogste rechtscollege zou voortaan zaken moeten selecteren „aan de poort” en zo meer ruimte moeten krijgen om rechtsvorming beter te regisseren.