Naar een frisse en vrolijke handelsoorlog

Protectionisme is een houding die individueel wel rationeel kan lijken, maar desastreus is voor het collectief. De voortekenen zijn niet goed

Het klonk als een grap, maar dat was het niet: de Italiaanse regering, zo werd afgelopen weekeinde bekend, streeft ernaar nieuwe buitenlandse restaurants te ontmoedigen. Italiaans voedsel eerst, zelfs Siciliaans eten is te vreemd. De komische noot heeft een ernstige ondertoon. Uit de hele wereld komen op dit moment signalen waaruit blijkt dat nationale prioriteiten het gemeenschappelijke mondiale belang opzij zetten.

In de Verenigde Staten dreigt het economische steunpakket van president Obama van een kleine 900 miljard dollar op dit moment door het Congres te worden opgetuigd met tal van bijlagen die het buy American moeten ondersteunen. Waarom een peperduur noodpakket als een deel daarvan via import zou weglekken naar het buitenland? Democraten verdedigen de maatregel met een beroep op milieustandaarden en arbeidsvoorwaarden. Die zouden in een groot deel van de rest van de wereld niet zo goed zijn als in Amerika, en dus voor oneerlijke concurrentie zorgen. Ontwikkelingslanden en opkomende industrielanden kennen dat argument als een eufemisme voor Amerikaanse handelsbescherming.

In Oost-Europa luidt de alarmbel omdat westerse (lees West-Europese) banken voorrang geven aan het handhaven van de kredietverlening in hun thuisland. Dat is desastreus voor de oostelijke regio van voormalig communistische landen, waar 80 procent van de financiële sector in buitenlandse handen is. De Britse premier Gordon Brown laakte maatregelen die banken verplicht de thuismarkt eerst te bedienen. Hij vergat dat zijn eigen regering precies dit aan de Royal Bank of Scotland oplegde in ruil voor overheidssteun. En het Verenigd Koninkrijk is lang niet de enige.

Na de aanslagen in New York en Washington spraken de wereldleiders af om de zogenoemde Doha-ronde voor bredere handelsvrijheid snel af te ronden, als een vertoon van eenheid tegen de splijtende krachten van het terrorisme. Het kwam er niet van. En vier maanden geleden herhaalde het toneelstuk zich bij de G20 van belangrijkste landen in de wereldeconomie. Een financiële ineenstorting was op het nippertje afgewend, en de wereldeconomie mocht niet onnodig lijden door een protectionistische reflex. Doha moest en zou voor het einde van 2008 zijn afgerond. Nu, al ruim een maand in 2009, is daar nog geen sprake van. Doha lijkt verder dan ooit.

In Europa staat de euro onder druk. De crisis legt breuklijnen bloot die zich daarvoor al hadden gevormd, en zorgt voor een groeiende kloof tussen vooral zuidelijke landen met te hoog opgelopen arbeidskosten en beroerde staatsfinanciën, en noordelijke landen die daar minder of geen last van hebben. De euro wordt al vergeleken met de gouden standaard in de jaren dertig. Met dat verschil dat regeringen het goud als koppeling makkelijker konden loslaten om daarna te devalueren, dan de euro nu.

Het internationale kapitaal heeft er nog geen antwoord op. In weerwil van het geglobaliseerde imago van de sector, is er altijd een nationale reflex overgebleven. In tijden van onrust op de financiële markten zijn buitenlandse beleggingen de eerste die worden geliquideerd. Wie in tijden van crisis nog steeds denkt dat ‘de wereld plat is’, moet stilstaan bij de arbeidersbeweging aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. De vakbeweging was grensoverschrijdend, werknemers hadden overal hetzelfde belang, en de Internationale was niet voor niets het lijflied van het socialisme. Maar toen het er op aankwam, staken de arbeiders bloemen in het geweer en marcheerden af naar het front om de eigen natie te vertegenwoordigen in wat een ‘frisse en vrolijke oorlog’ werd genoemd.

Toch is er, op wereldschaal, wel een kwestie die moet worden opgelost, en die volgens sommige economen zelfs de indirecte oorzaak is van de kredietcrisis: de scheefgroei tussen het forse overschot op de betalingsbalans van een groep oversparende landen (China, andere Aziatische landen, maar ook Duitsland) en een navenant groot tekort bij een groep ondersparende anderen (de VS, maar bijvoorbeeld ook het Verenigd Koninkrijk). Die onbalans, zo was de consensus al vóór de kredietcrisis, was gevaarlijk en moest worden rechtgetrokken.

Dat gebeurt nu alsnog, maar wel hardhandig. De exporteurs met hun handelsoverschot zien hun buitenlandse markt verdampen en zullen de binnenlandse consumptie moeten opschroeven. De importeurs met hun handelstekort herstellen hun particuliere spaarquote door de hand op de knip te houden.

Te midden van die beweging duikelt de wereldhandel in het ravijn. De prijzen voor internationaal vervoer zijn gekelderd en het volume van de wereldhandel zal dit jaar krimpen. Hoog tijd voor de top van de G20 in Londen, die begin april gehouden wordt. Maar wat moet er bovenaan de agenda? En hoe komt iedereen weer op één lijn?

Maarten Schinkel

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel.