Meer ruis alstublieft

De klassieke muziek wordt bedreigd door alle etiquette.

Dat stelt hoogleraar kunstsociologie Hans Abbing in zijn nieuwe boek, Van hoge naar nieuwe kunst.

Hans Abbing, kunstsocioloog, econoom en beeldend kunstenaar, is er in zijn nieuwe boek Van hoge naar nieuwe kunst eerlijk over: zelf houdt hij meer van danceavonden dan van klassieke concerten. De flow en manier van omgaan die hij daar ervaart, mist hij in de concertzaal. Toen hij het tijdens een klassiek concert waagde musici te schetsen, reageerden omzittenden corrigerend. Ze ergerden zich, schrijft hij, aan zijn „gebrek aan respect”.

Kan het niet zijn dat uw buren geconcentreerd luisterden, en gewoon niet afgeleid wilden worden?

Hans Abbing: „Zacht potloodgeschets kan toch nooit écht afleiden? Maar ik brak de code van absolute stilte, en dat is taboe. Ik ben ervan overtuigd dat tachtig procent van de ‘klassieke’ luisteraars niet analytisch luistert, maar zich in een warm bad van muziek onderdompelt. Die luisteraars hoeven niet alle details te horen, ze willen gewoon een leuke avond hebben. En dus mag de etiquette ook wat minder streng worden.”

De noodklok voor de klassieke-concertpraktijk die Abbing in zijn boek luidt, is niet nieuw. Na het roemruchte boek van Cas Smithuisen, Stilte! Het ontstaan van concertetiquette (2001) organiseerde het Noord Nederlands Orkest al eens lawaaiconcerten: chips eten, hoesten en rondlopen uitdrukkelijk toegestaan. Het werden geen ‘succesvolle’ avonden. Het publiek bleef keurig luisteren, één oudere meneer sabbelde op een lolly.

U stelt nu: de klassieke muziek zit op een tijdbom. Hoezo?

Abbing: „De vergrijzing is onomstotelijk, maar de pogingen jong publiek te trekken zijn richtingloos. Voor de toekomst zie ik verschillende lijnen. Wat al opkomt is de ‘folklorisering’: orkesten zullen meer populair repertoire spelen. Een extreme representant is nu al André Rieu. Mettertijd zullen de meeste professionele orkesten verdwijnen. De leemte die zij achterlaten wordt opgevuld door orkesten van amateurs en conservatoriumstudenten. De top blijft bestaan, maar wordt duurder en exclusiever. Mensen zullen voor een bijzonder concert of opera reizen, ook naar het buitenland, zoals dat nu al in de pop gebeurt.”

Waar baseert u die scenario’s op?

„Cijfers. Tussen 1997 en 2005 namen bezoeken aan de rijksgesubsidieerd orkesten met 28 procent af.”

Hoe moeten we het tij keren?

„De beste kans bieden klassieke concerten in een lossere setting. Denk aan een formule als ‘Klassiek in Paradiso’: beneden een kamerorkest, boven een ander ensemble, veel eigentijds repertoire en de mogelijkheid te staan, iets te drinken, in en uit te lopen. De klassieke muziekwereld kan leren van de opener, feestelijker maar ook ‘gewonere’ sfeer bij popconcerten.

De zaal uit kunnen lopen, staan – dat stoort toch verschrikkelijk?

„Het stoort enigszins, maar dat is niet erg. Details kun je thuis ook op cd horen. En bewegen is belangrijk! Die absolute stilte in concertzalen maakt klassieke concerten nodeloos moeilijk en zwaar.”

Ik ervaar concerten als oases van concentratie in een hectisch leven.

„U vindt de etiquette dus prettig. Dat mag; met u zijn er velen. Nóg wel. Maar het worden er minder. Ik zeg niet dat de geconcentreerde concerten afgeschaft moeten worden, maar om het publiek aan te vullen en te verjongen, moeten er – parallel – alternatieven komen.”

U ziet ‘hoge kunst’ als hoogdrempelig. Ik zeg: een sonate van Beethoven is gewoon complexer dan, zeg, een liedje van de Black Eyed Peas. Dat zegt niets over de emotionerende kracht, maar stelt andere eisen aan de luisterervaring.

„Waarom legt u zo’n nadruk op complexiteit? Ik kan criteria aandragen op grond waarvan popmuziek interessanter is: de eigenheden van de stemmen zijn groter, je kunt soms meezingen, de luisteraar wordt meer betrokken...”

Luisteraars naar klassieke muziek zijn niet betrokken?

„Zij houden hun emoties in. Jongeren vinden die code stijf en nep – terwijl ze de muziek op zich vaak best waarderen. Dat kun je, met het oog op teruglopende bezoekcijfers, niet naast je neerleggen. Klassieke muziek moet niet zo op een voetstuk worden geplaatst, dat maakt het zo gewichtig.”

Het is hoge kunst. Die mag best een beetje gewichtig zijn.

„Maar men gaat daarin te ver. Om de muziek ‘zuiver’ te houden, wordt ook de presentatiewijze afgeschermd. Dat vind ik onverstandig. Met minister Plasterk heeft de hoge kunst mazzel; hij houdt er ook van. Maar Bos, Balkenende? Er gaat een moment komen dat de subsidies aan al die orkesten tegen het licht wordt gehouden, en er orkesten worden opgeheven. Klassieke muziek is gewoon te duur.

Anderen wijten de oorzaak van teruglopende bezoekcijfers vaak meer aan verslechterd onderwijs dan aan de ‘sfeer’. Je moet er iets van snappen om het te waarderen.

„Dat geloof ik niet. Dan zou klassiek ook niet worden gewaardeerd op radio of cd, terwijl 22 procent van de mensen thuis wél wekelijks naar klassiek luistert. Nee, het is het imago dat de drempel hoog houdt. Daar moet dus iets aan gebeuren. Het is buigen of barsten.”

Welke vernieuwingen zou u concertorganisatoren aanbevelen?

„Het aanbieden van meer visuele prikkels. Een van de problemen die ik zie, is dat klassieke muziek het moeilijk maakt je met mensen te ‘verbinden’. De dirigent zie je op de rug, musici lijken inwisselbaar in hun zwarte pakken. Met videoschermen zou je hun concentratie en zweet kunnen zien. Dat zou al een beetje kunnen helpen.”

H. Abbing, Van hoge naar nieuwe kunst, Historische Uitgeverij (144 pag), www.histuitg.nl