Zorgen voor de oude dag

Het gevierde Nederlandse pensioenstelsel verkeert in zwaar weer. De dekkingsgraad van de grootste pensioenfondsen – de verhouding van hun reserves ten opzichte van de toekomstige verplichtingen – is ver onder de maatstaf van 105 procent terechtgekomen die toezichthouder De Nederlandsche Bank als minimum stelt. De fondsen moeten een plan indienen waarin zij aangeven hoe zij binnen drie jaar weer op orde zijn.

Wat opvalt is dat ook pensioenbeheerders, net als veel andere verantwoordelijken in de financiële sector, op de kredietcrisis reageren alsof zij door een natuurverschijnsel zijn overvallen. Hun beleggingen zijn sterk in waarde gedaald, en dat is een van de voornaamste oorzaken van de lage dekkingsgraad. Maar de fondsen hebben zelf een beleggingsstrategie gevolgd die hen in de problemen heeft gebracht. Een zwaar accent op aandelenbeleggingen is daar mede debet aan, aangevuld met alternatieve investeringen in bijvoorbeeld hedge funds en private equity-investeerders. Het is niet ongebruikelijk dat de laatsten forse vergoedingen vragen, die neerkomen op jaarlijks 2 procent van de belegde som plus 20 procent van de behaalde winst. Pensioendeelnemers – oude en jonge werknemers die verplicht premie afdragen – hebben zo de inrichting van heel wat New Yorkse appartementen betaald.

Reden voor de risicozoekende investeringen is dat conservatieve, rentedragende beleggingen niet voldoende zouden opbrengen door de lage rentestand. Aan dat argument mag worden getwijfeld. De rente op doodeenvoudige, risicoloze tienjaarsstaatsleningen bedroeg over de laatste tien jaar gemiddeld 4,4 procent, over de laatste vijf jaar gemiddeld 4 procent en over het afgelopen jaar 4,2 procent. Daarop had in de afgelopen tien jaar of zelfs vijftien jaar meer kunnen worden verdiend dan op een wereldwijde, herbelegde aandelenportefeuille, tegen een beduidend lager risico en lagere kosten. Het valt op dat, net als in de bancaire sector, het maken van verontschuldigingen en het nemen van verantwoordelijkheid niet in de mores van de pensioensector voorkomen.

De vraag is hoe het nu verder moet. Een verhoging van de pensioenpremies zou de koopkracht uithollen en de kosten van werkgevers opjagen. Het achterwege laten van inflatiecorrectie is een alternatief. Alleen treft dat niet alleen gepensioneerden, maar ook toekomstig gepensioneerden in de hoogte van hun uitkering.

Beter is het om te overwegen de pensioengerechtigde leeftijd gradueel te verhogen. Dat geeft deelnemers meer tijd om hun pensioen op te bouwen en verkort de duur van de gemiddelde uitkering. Bovendien hoort een langer werkzaam leven bij de demografische ontwikkelingen: door de vergrijzing dreigt de verhouding tussen werkenden en pensioneerden scheef te groeien.

De sector zelf vraagt om het verlengen van de termijn voor herstelplannen, van drie jaar naar vijf jaar. Er lijkt weinig anders op te zitten, maar alle betrokkenen, waaronder vooral de werknemers- en werkgeversorganisaties, zouden in ruil daarvoor de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd serieus moeten overwegen.