Verslaafd aan pijn

De Italiaan Paolo Giordano debuteert met een knappe roman over zelfverminking.

Priemgetallen staan model voor zijn hoofdpersonen.

Mattia en Alice zijn weerloos. Ze wikkelen zich in verdedigingsmechanismen en toch staan ze naakt in de wereld. Om die wereld af te schrikken verminken ze zichzelf: de manke Alice door anorexia nervosa te ontwikkelen, de hoogbegaafde Mattia door af en toe met een mes in zijn vlees te kerven.

Rondom dit tweetal construeert debuterend schrijver Paolo Giordano zijn roman De eenzaamheid van de priemgetallen. Hij begint, meeslepend en inzichtelijk, met hun kindertijd. Met tijdsprongen van telkens een jaar of vier, vijf bereikt hij de laatste stap die zijn personages zetten, naar berusting, dat wil zeggen naar volwassen eenzaamheid. Eindelijk kunnen ze beginnen met leven. Mattia wordt zo menselijk als hem mogelijk is. Alice vindt rust.

De schrijver zet Alice en Mattia neer als parallellen, hun levens congrueren, rijmen, echoën elkaar of spiegelen elkaar. Ze scheren langs elkaar en reiken naar elkaar. Maar ze raken de ander nooit. Dat willen ze wel, maar ze willen het nooit op hetzelfde moment. Giordano schiep in hen het ultieme romantische liefdespaar: de gedachte dat de geliefde toch altijd een ander zal blijven kunnen ze niet aan. Dat maakt een verbintenis onmogelijk.

Alice en Mattia zijn onbesuisd in hun gebrek aan sociale vaardigheden. Zo straffen ze zichzelf, is de eerste indruk die Giordano aanlegt. Ze zijn elk getekend door een drama in hun vroege jeugd. Als ze elkaars pad voor het eerst kruisen, ze zijn dan 13, zijn ze aan hun pijn verslaafd geraakt. Die definieert ze, die maakt ze anders dan alle anderen. Ze herkennen dat in elkaar, en daarmee is hun band gesmeed.

Paolo Giordano (1982) is schrijver genoeg om van hun vreemd zijn te profiteren. Wat Mattia betreft pakt dat schematisch uit. Hij vertaalt zijn omgeving naar wiskundige coördinaten, beschouwt zijn lichaam en geest alsof het een theoretisch vraagstuk betreft en beziet de wereld alsof hij er in een vacuümtank in rond tolt. Voor meer is er geen plaats en dat wordt voorspelbaar. Alice is veelkantiger en een stuk interessanter. Zij wordt de hoofdpersoon van het boek – onbedoeld, het is duidelijk dat beide personages evenwaardig hadden moeten zijn. Haar anorexia is intens en ziekelijk, maar zo invoelend beschreven dat zij ook zo gek nog niet lijkt. Haar weerzin tegen haar vader en tegen het bestaan waar hij voor staat, haar kwetsbaarheid in een omgeving die gevoel reduceert tot overbodige luxe, haar pogingen tot vriendschap, seks en een huwelijk met een veel te aardige man – alles krijgt een vreemde, steeds andere, gloed dankzij haar afwijking.

Hoe dan ook, dit zijn rare snijbonen. De schrijver laat zijn lezers aapjes kijken. Maar hij draagt er zorg voor dat die lezers zich geen voyeur hoeven te voelen. Zij kunnen, met behoud van nieuwsgierigheid, meeleven dankzij Giordano’s literaire talent, dat berust op zijn ingehouden tederheid en op de poëzie van zijn rake metaforen.

De eenzaamheid van de priemgetallen waarborgt een bron voor gedachten over alleen zijn, alleen durven zijn en alleen willen zijn. Tegelijk leent het zich voor snel en graag doorlezen – de gruwel van de adolescentie is nu eenmaal een dankbaar onderwerp, zeker als die zo bedreven wordt neergezet.

Giordano ondergraaft zijn roman soms met onzekerheid. Hij lijkt bijvoorbeeld te vrezen dat zijn lezers niet meegaan met de gevoelens die hij teweeg wil brengen, en dan wordt hij sentimenteel (niet één maar twee tranen ‘wellen’ op, ‘in haar ogen’ – en ze zijn nog dik ook). Of hij merkt, als we al op driekwart van zijn roman zijn, op dat het hier gaat om ‘twee mensen die hun eigen eenzaamheid in de ander hadden herkend’. Dat hadden we allang door. Als dat niet zo was, was dit niet zo’n goed boek. En dat is het wel.

Op dezelfde manier is hij in de weer om zijn roman extra inhoudelijk gewicht te geven. Dan doorbreekt hij zijn bruisende stijl met een slepende verhandeling, bijvoorbeeld over de priemgetallen die model staan voor zijn hoofdpersonen. Priemgetallen zijn alleen zichzelf, en daar kunnen ze niets aan doen. Daar komt het op neer. De rest hoeft niet.

Meer priemgetallen: www.cijfers.net/priemgetallen.html

Paolo Giordano: De eenzaamheid van de priemgetallen. Vert. Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. De Bezige Bij, 318 blz. € 18,90