Van zingende kostuums naar acterende zangers

Het Theater Instituut brengt zijn exposities voortaan op wisselende locaties. De eerste keer in Zwolle, waar nu de vernieuwing van operaregie wordt getoond.

Kasper Jansen

De covers van het Duitse operamagazine Opernwelt uit de jaren 1964-1971 tonen het treffendst de veranderingen in de opvattingen over operaregie – waaraan het Nederlands Theater Instituut nu een tentoonstelling wijdt.

In de eerste jaren stonden op de covers altijd foto’s van beroemde zangers. Later waren er alleen nog foto’s van ensceneringen, van het werk van regisseur en en decorontwerper. Ook de beroemdste operazangers zijn de afgelopen decennia in het regisseurstheater getransformeerd van zingende kostuums in acterende zangers.

De operavoorstelling is, vooral in West-Europa – niet meer de ouderwets geïllustreerde versie van het werk van de componist. Die zou, na alle dramaturgische ingrepen, nu vaak zijn eigen stuk niet eens herkennen. De regisseur en de ontwerper duiden het verhaal van de opera op hun eigen wijze.

Zo kan Mozarts Don Giovanni zich afspelen in een beddenpaleis. Stravinsky’s The Rake’s Progress – een versie van het Faustverhaal – ging na de actualisering van Peter Sellars over het kwalijke Amerikaanse gevangenissysteem. Omgekeerd bracht Pierre Audi de mythische Der Ring des Nibelungen als een eeuwige mystieke ervaring.

Peter te Nuyl, opera- en theaterregisseur, en decorontwerpster Mirjam Grote Gansey tonen die nog altijd omstreden ontwikkeling in hun tentoonstelling Niet omkijken, Orpheus! - Van opera naar muziektheater.

De Grieks-mythologische zanger Orpheus was in de ontstaanstijd van opera rond 1600 in Italië hèt exemplarische personage in de nieuwe kunstvorm. Orpheus verpersoonlijkte de overtuigingskracht van het zingen. Zijn smartelijke zang ontroerde de goden en dus mocht hij zijn gestorven geliefde Euridice ophalen uit onderwereld. Op één voorwaarde: hij mocht bij het verlaten van de onderwereld niet omkijken. Uiteindelijk deed hij dat toch.

Een rafelende kabel – „de snaar van de lier van Orpheus”, zegt Te Nuyl – symboliseert de flinterdunne scheiding tussen aarde en onderwereld, tussen leven en dood – het thema van verreweg de meeste opera’s. Peter te Nuyl en Mirjam Grote Gansey maakten in 1990 bij de Nederlandse Opera een fraaie maar cynische enscenering van Orfeo ed Euridice van Gluck. Hun boodschap: kunst doodt de liefde, opera is uiterlijkheid en kent geen ware gevoelens, zangers gaan vooral op in hun professie.

Geen wonder dat deze expositie over de revolutie in de operaregie begint met het aanhalen van dwarse uitspraken over opera. „Eine Oper ist ein ganz absurdes Ding” liet Richard Strauss zingen in zijn Capriccio (1942), een opera over het maken van opera. En daar is ook de beruchte uitspraak van Pierre Boulez in Der Spiegel (1967): „Sprengt alle Opernhäuser in die Luft!” In 2001 werd de wereldberoemde componist en dirigent daarvoor alsnog wegens aanzetten tot terrorisme gearresteerd en drie uur vastgehouden door de Zwitserse politie. Die was ook na 34 jaar deze opruiing niet vergeten.

Volgens Boulez was de kunstvorm opera dood wegens het veelal vermolmde artistieke beleid van de operatheaters. Inmiddels is opera populairder dan ooit na een grondige vernieuwing.

In Nederland werd die vanaf de vroege jaren ’70 uit Duitsland geïmporteerd met voorstellingen van Götz Friedrich. Vanaf 1977 kwamen de veel radicalere producties van Harry Kupfer, met als eerste een bloedstollende en schrikwekkende Elektra van Strauss.

De tentoonstelling laat de veranderende opvattingen over opera zien in een reeks bijzondere opstellingen. Zo staat in een zaaltje de gedekte tafel waaraan Don Giovanni zijn laatste maaltijd gebruikte, voordat hij in de hel werd gegooid. Daarachter ziet men video’s van verschillende producties van Don Giovanni: van de regievernieuwers Walter Felsenstein (1964) en Peter Sellars (1990) en van het duo Jossi Wieler/Sergio Morabito in 2006 bij de Nederlandse Opera met het geruchtmakende ‘beddenpaleis’.

Met foto’s, kostuums, ontwerpen, maquettes, video’s, geluidsopnamen wordt de ontwikkeling van opera naar muziektheater geïllustreerd. Veel aandacht is er voor het al veertig jaar vernieuwende muziektheater van Louis Andriessen. Maar ook voor Maria Callas is in Zwolle plaats. Volgens Te Nuyl was ze geen diva, maar een theatervernieuwer. „Ze gaf nieuwe inhoud aan oude gebaren.”

Niet omkijken, Orpheus!: De Fundatie Zwolle: t/m 10/5 di t/m zo 11-17 uur. Inl: www.museumdefundatie.nl; www.tin.nl. Ned. Kameropera Festival: 17 t/m 26/4 Zwolle. Inl.: www.kameropera.nl