Pianoconcert met flarden Prince

Klassiek: Radio Kamer Filh. o.l.v. O. Tausk. Gehoord: 31/1 Concertgebouw, A’dam. Radio 4: 3/2 20u.***

„’Tis the gift to be simple, ‘tis the gift to be free”, luidt de eerste regel van een bekende Amerikaanse Shaker-hymne uit de negentiende eeuw. John Williams citeerde de melodie ervan in zijn gelegenheidscompositie voor de inauguratie van Obama. Maar dat elke Amerikaan het deuntje kent, is vooral te danken aan componist Aaron Copland, die het gebruikte in zijn Appalachian Spring (1944).

Met dit werk, transparant maar onrustig uitgevoerd, opende een ‘Amerikaanse’ ZaterdagMatinee. Daar werden ook twee nieuwe werken van Nederlandse bodem gepresenteerd, die niet allebei even ‘simpel en vrij’ bleken.

Het Piano Concerto van Giel Vleggaar was dat wel. Vleggaar liet zich, net als voor zijn vorige grote orkestwerk Dead as Disco (2006), inspireren door Amerikaanse discomuziek in het algemeen, die van Prince in het bijzonder. Het werk heeft dezelfde syncoperende dansvloerlijntjes en eighties-achtige ‘orchestra-hits’; mokerslagen van het hele orkest, hier soms in Stravinskiaans ontregelde patronen.

Het pianoconcert, geschreven voor pianist Ralph van Raat, is wel iets minder oppervlakkig dan zijn voorganger. Vleggaar veroorlooft zich meer ondermijning, spannend als (deel 1) de groove een paar keer geraffineerd uit focus raakt.

Het tweede deel, Prayer, is heel anders van karakter: spiritueel en sentimenteel, wat door een toenemende versnippering gelukkig niet echt doorzet. De geladen sfeer, inclusief raadselachtige flarden op de piano, lijkt ontleend aan Charles Ives’ The Unanswered Question.

Vleggaars componeerflair blijkt vooral in het derde deel, waarin een echte Prince-baslijn door het orkest dwaalt. De solopartij neigt even naar een cadens, maar dan is het stuk ineens afgelopen.

Maarten van Norden leek zich hierna in Epitaaf, ook een opdracht van de Matinee, wat te vertillen aan wat een grafmonument voor Stravinsky moest worden. De muziek heeft onmiskenbaar Stravinskiaans DNA (harmonieën, beweging), maar ontbeert diens lichtvoetigheid. Juist gezien Van Nordens eerdere werk was daarvan meer te verwachten. Helaas is het allemaal verrassend ernstig en streng, met een ouderwetse imitatieve strijkerspassage, die overigens eerder aan Sjostakovitsj dan aan Stravinsky doet denken.

In Ives’ Derde symfonie, tenslotte, wist dirigent Otto Tausk de door elkaar heen waaiende flarden muziek keurig bij elkaar te houden, zonder verder echter veel reliëf of spanning aan te brengen.