Kwakkel

De Vlaamse tv stond aan. Ik wilde wel eens horen hoe er over de regerend wereldkampioen veldrijden werd gesproken. Wekenlang was het oorlog geweest tussen de Nederlander Lars Boom en de Belgische renners. De reus tegen de zeven dwergen. Zondagmiddag reden ze rondjes door het Brabantse Hoogerheide om uit te maken wie dit jaar de regenboogtrui mocht dragen.

„Samson zelf.”

Lars Boom trachtte in de eerste ronde de eerste weggeglipte Belgische coureur bij te halen en kreeg meteen een eretitel mee van de commentator. Samson; een perfecte benaming voor de langharige Boom met het oersterke lijf.

Straks zouden de Vlaamse verslaggevers struikelen over hun instant poetry wanneer „nationale vijand voor een dag” Lars Boom als eerste over de finish kwam. De Nederlandse renner had het zelf voorspeld; in Hoogerheide zou hij de wereldtitel prolongeren.

Al in de tweede ronde ging het mis. Boom kon het tempo niet volgen. De Belgische renners vlogen over het bospad. Ze demarreerden en benamen Boom de adem. Werden de blonde manen van Samson nu al afgeknipt?

Boom reed langs de plek waar mecaniciens klaarstonden met reservefietsen. Hij maakte een gebaar met zijn hand en reed verder. De onrust stond op Booms gezicht. De commentator had het euvel gevonden: „Er is wat met de voortube.”

Lars Boom ging er niets van bakken. De Belgische commentatoren raakten euforisch toen hij bij een volgende passage van fiets wisselde en kostbare seconden verloor op de kopgroep. „Dit is een klets in het aangezicht.”

Boom gaf zich gewonnen op de dag dat hij beloofd had te winnen. In een bocht in het bos stonden de supporters van duivenlokaal De Luchtklievers te vernikkelen van de kou. Ze waren getuige van een off-day van Boom. „Slappe kost”, heette het op de Belgische tv.

Er was een verslaggever aanwezig langs het pacours. Hij stak zijn microfoon onder de neus van de Nederlandse coach Johan Lammerts: „Nee, het ziet er niet goed uit. We moeten dit na afloop eens evalueren.”

Na ‘voortube’, ‘aangezicht’ en ‘slappe kost’ kreeg ik met ‘evalueren’ een droog beschuitje in mijn mond geduwd. Een coach aan de kant van een veldrit nam het woord ‘evalueren’ in de mond terwijl zijn renner nog rondreed. Alsof Lars Boom na afloop moest verschijnen voor een parlementaire commissie.

De Belg Niels Albert reed alleen op kop. Hij ging wereldkampioen worden. Kon niet anders. „Vorig jaar was hij aan de kwakkel na een miltscheur”, zei de commentator. Kwakkel met miltscheur. Ik kreeg trek in het wonderlijke gerecht.

De Belgen wonnen goud en brons, het zilver was voor een Tsjech. „Als puntje bij paaltje komt, is de koers Vlaams”, schalde de tv. Het bleek ook uit de samenstelling van het publiek; van de 50.000 bezoekers in Hoogerheide kwamen er 35.000 uit België.

Twee minuten na de winnaar kwam Boom over de finish. Voor de eerste keer schakelde ik over naar de Nederlandse zender. Alle aanwezige microfoons stonden als vuistvuurwapens op Boom gericht. Er werd geduwd. De renner keek geïrriteerd om en zei tegen de verslaggevers: „Hé, jongens, kom op, zeg.” Daarna reed Boom weg. Het contact met de pers ook maar meteen evalueren, dacht ik.

Drie kwartier later was Boom gewassen. Hij vond een paar simpele woorden waar ik mee kon leven: „Ik ben ook maar een mens.”