Iets dat nog in je oren klinkt

Op zonnige winterdagen voel je weer eens extra goed wat het is om in het licht te leven. Ik bedoel: dat licht, zonlicht, zo ongeveer het leven zelf is. Zocht de passage op die één van de allermooiste uit de literatuur is, nu ja, een van de vele allermooiste passages, die waarin Polyxena vlak voor ze door de Grieken terechtgesteld zal worden afscheid neemt van haar moeder Hekabe in Euripides’ Hekabe: „Nooit meer, nu voor het allerlaatst, zal ik de stralende kring van de zon zien.”

Niet dat het onder de zon allemaal zo heerlijk is. Hekabe antwoordt ook: „Ach dochter, en ík zal in het licht een slavin zijn.” Toch drukken die woorden van Polyxena iets uit van de verschrikking te moeten sterven en de verrukking, dus, van in leven te zijn. De stralende kring van de zon.

Het is een verschrikkelijk verhaal, dat van de vrouwen die na de slag om Troje overgeleverd zijn aan de luimen van het Griekse leger. Op de omslag van de uitgave die Athenaeum-Polak & Van Gennep in 1996 van Gerard Koolschijns vertaling van Hekabe en Trojaanse vrouwen maakte, staat een foto die gemaakt is in 1942 ergens in Rusland. Het is een bekende foto: je ziet mensen over een slagveld lopen waar dode soldaten liggen, ze zoeken naar hun geliefden. Op de voorgrond heft een vrouw haar handen in ontzetting, terwijl ze in het gezicht van een dode soldaat kijkt – haar zoon?

Die vrouw, denk je, is Hekabe, die al haar kinderen verloor in de oorlog om Troje, in de slag om Stalingrad, in wat voor conflict of geweld dan ook. Ze is, behalve Hekabe, ook de vertegenwoordigster van een lot, zodat een foto die werd gemaakt bijna tweeduizend jaar nadat Euripides zijn stuk schreef, toch precies haar lot kan uitdrukken.

Misschien is het nog wonderlijker dat wij haar gevoelens, en die van de Trojaanse vrouwen om haar heen, nog steeds zo goed kunnen verstaan: „Ik was bestemd voor het ongeluk, ik was al bestemd voor het leed/ toen Paris op de Ida eens dennenhout hakte/ om over de golvende zee/ naar Helena’s bed te varen.” Een prachtige zang over het lot dat je niet ontloopt: ogenschijnlijk is er niets aan de hand, in het bos hakt iemand hout, beneden schittert de zee. Maar van dat hout bouwt hij een schip en op dat schip vaart hij naar een vrouw die hij zal ontvoeren en zo zal hij een oorlog ontketenen en jij zult daarin alles verliezen.

„Zelfs het geringste opslaan van een oog haalt onherstelbaar/ overhoop en brengt teweeg en brengt teweeg”, schreef Judith Herzberg eens. En als het dan eenmaal teweeg is gebracht, dan ontsnap je niet meer. Gelukkig weten we meestal niet wát er teweeg wordt gebracht. Soms is het lot ons trouwens ook welgezind.

In het boek dat ik al weken lees, Leven en lot van Vassili Grossman, een gewéldig boek, waarin de levens en lotgevallen van zoveel Russen tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de orde komen, en de onontkoombaarheid van wat ze overkomt, wordt over de fysicus Strum het volgende geschreven: „Strums gedachten en zijn ziel waren verbonden met een verschrikkelijke tijd, die zich tegen vrouwen en kinderen keerde. In zijn gezin alleen al waren twee vrouwen vermoord en een jonge man, haast een kind nog. Strum dacht vaak aan de regels van de dichter Mandelstam, die hij ooit had gehoord (…): Ik word besprongen door een wolfshond – mijn tijd, / maar ik heb niet het bloed van een wolf.”

In de context van dat boek, van die levens toen, krijgen die regels een enorme lading – je kunt je gemakkelijk allerlei mensen voorstellen die ze met reden na zouden kunnen zeggen. Net als Strum.

Wat helpen zulke woorden zo’n man als Strum nu, opgesloten in het sovjetsysteem, overgeleverd aan de oorlog? Niets, maar ze helpen toch. Er is een formulering gevonden voor iets wat hevig gevoeld wordt, maar nog woordeloos was en daardoor ongrijpbaar. En formuleringen helpen.

Hoe dichters tot je spreken – staan we daar wel vaak genoeg bij stil? Het is nu de week van de poëzie, en het ging tot nu toe vooral om allerlei stom gekissebis tussen dichters over wie de DdV mocht worden, en allerlei mensen zeiden daarover tevreden: eindelijk krijgt de poëzie aandacht. Nee! De poëzie kreeg helemaal geen aandacht. Die houdt zich heel ergens anders op. Tussen de pagina’s van boeken, in de hoofden van mensen.

Cees Nooteboom las op het festival ‘Weerwoord’ afgelopen week een stuk voor uit de inleiding van het boek dat hij samen met fotografe Simone Sassen maakte: Tumbas, graven van dichters en denkers. In die inleiding heeft hij het over het zwijgen van de meeste doden, behalve de dichters. „Waarom ga je naar het graf van iemand die je nooit hebt gekend? Omdat hij je nog iets zegt, iets dat nog in je oren klinkt, dat je onthouden hebt en misschien wel nooit meer kunt vergeten, dat je uit je hoofd kent en soms zacht of hardop herhaalt.”

Zo is het. Toen de cultuur nog heel jong was, schreef Euripides zijn woorden. En ze blijven maar iets tegen ons zeggen, over het leven en het lot van alle mensen, dezelfde dingen maar heel anders dan die Grossman of Mandelstam zeggen en die we misschien wel nooit meer vergeten.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos (Bijdragen worden openbaar na beoordeling door de redactie.)