Huiswerk niet af?

Als de leraar weer gewoon autoritair wordt, gaat de leerling vanzelf aan de slag.

Tjeerd Posthuma zit in 6 vwo en vraagt zich af waarom hij er niet uitgestuurd wordt.

Waar gaat het heen met de jeugd? Waar gaat het heen met het onderwijs? En waarom lijken die twee elkaar ergens onderweg te zijn verloren?

Simpel: door gebrek aan autoriteit en door gebrek aan productiviteit. Maar daar valt wat aan te doen. Zit iedereen klaar met pen en papier? Marja en Ronald, schrijven jullie ook even mee?

Ja, leraren kunnen hun autoriteit herwinnen. Namelijk zo:

1Leraren moeten intoleranter worden

Neem dit dialoogje: ‘Annie, doe die tas nou eens weg, we zitten midden in een aantekening.’ ‘Ja hallo, mag ik alsjeblieft even een pen pakken?’ ‘Nou, als je opschiet.’ ‘Ja ja, rustig maar.’

Voor de duidelijkheid: de cursieve tekst is die van de leraar. En leraren plegen dit soort autoriteit-zelfmoorden dagelijks. Terwijl elke assertiviteitscursus hen zou leren dat ze moeten zeggen: ‘Annie, die toon tolereer ik niet. Die pen had je al moeten pakken toen de les begon. Nog een keer zo’n grote mond en je gaat eruit.’

Wie nou, als je opschiet mompelt wordt door niemand serieus genomen. Die is niet meer de baas in eigen klas. Dus: leer terug te snauwen. En: leer met de hand op tafel te slaan. Wie heeft ooit bedacht dat een leraar de vriend van de leerling moet zijn? Wie les wil geven moet boven zijn leerlingen staan.

Op mijn eigen school zijn leraren die nog steeds werkstukken, boekverslagen en andere opdrachten van mij moeten krijgen – niet van dit jaar, maar van één, twee, drie en soms zelfs vier jaar geleden. Waarom staan zij niet op hun strepen? Waarom zeggen ze niet: ‘Huiswerk niet af? Eruit!’ Of: ‘Printer kapot? Niks mee te maken, je krijgt een één!’ Dan gaat het één keer fout, maar daarna altijd goed.

Die werkstukken zijn niet een vrijblijvend tijdverdrijf, maar een manier om te controleren wat ik kan. Als ik ze niet inlever, is de leraar niet in staat zich een beeld van mij te vormen – en kan hij zijn werk niet goed doen. Eigenlijk verzaakt hij zijn plicht.

2Ouders en leraren moeten op één lijn kunnen staan

Stel: ik word eruit gestuurd, kom boos thuis en vertel een verhaal aan mijn ouders (niet per se de juiste versie). Dan is hun eerste reactie: ‘Wat denkt die man wel niet?’ En dat is terecht, want mijn ouders hebben maar drie keer per jaar de kans om tien minuten met drie zelf uit te kiezen leraren te praten.

Zij weten dus niks van de intellectuele kwaliteiten van mijn leraren, hun ervaring en hun beoordelingsvermogen. En ze kunnen onmogelijk tegen mij zeggen: ‘Nou, het zal allemaal wel wat meevallen. Die leraar is een slimme man, hij weet heus wel wat goed voor je is.’

Het contact tussen school en ouders moet dus beter. En dan niet alleen via brieven (die overigens barsten van de spel-, taal-, grammatica- en interpunctiefouten) en met de leraren, maar ook het contact met de rector. Veel ouders weten niet eens hoe de rector heet. Terwijl deze toch verantwoordelijk is voor de toekomst van hun kind.

3Regels zijn er voor iedereen: leerlingen, leraren en schoolbestuur

Veel leraren, conrectoren en rectoren handhaven de regels niet. Een voorbeeld: aan het begin van het vorige schooljaar heb ik een te laat briefje gehaald. Volgens de regels moet de leraar dat briefje innemen. Maar de meeste leraren vergeten dat. Dus kan ik nu al meer dan een jaar onbeperkt te laat komen: ik wapper met mijn briefje als ik binnenkom en het is goed. Ik hoef niet langs het straflokaal en krijg geen corvee.

Maar ik zou wel corvee moeten krijgen. Want als leraren de regels te streng vinden, moeten ze zich richten tot het schoolbestuur – en niet voor eigen rechter spelen. Een schoolbel is er niet voor niks. Als je die negeert, kost dat eerst vijf minuten, dan zes, dan zeven en uiteindelijk misschien wel tien minuten van je les.

En trouwens, ik wil er ook uit worden gestuurd als ik mijn boeken niet bij me heb of mijn huiswerk niet heb gemaakt. Voor veel vakken heb ik de afgelopen drie jaar geen huiswerk gemaakt, simpelweg omdat niemand mij achter de broek zat. En met mij meer dan de helft van de klas.

Nogmaals: wie de regels niet handhaaft, verzaakt zijn plicht als leraar en verspilt de talenten van zijn leerlingen.

4Lessen moeten aanvullend en verhelderend zijn

Vaak begint een leraar de les met de vraag: ‘Waar zijn we gebleven?’ Alsof zijn leerlingen dat nog weten. Vervolgens slaat die leraar het boek open en leest er een uur lang uit voor.

Met alle respect, maar als ik word geacht een boek te lezen kan ik dat wel thuis doen. Een leraar die zo lesgeeft maakt zichzelf overbodig. Zo kan zelfs ík leraar zijn – en met dezelfde examenresultaten.

Daar komt bij: je kunt de school gemakkelijk missen als je op deze manier les krijgt. Dit soort lessen zijn een noodzakelijk kwaad, dat door de overheid is opgelegd. Geloof me: dat stimuleert niet.

En ja, de productiviteit kan omhoog als de leraar zijn autoriteit eenmaal heeft herwonnen. Dat kan zo:

1Verbeter de aansluiting tussen basisschool en voortgezet onderwijs

Want die aansluiting is ronduit bagger. Een voorbeeld: bij Engels heeft de één wel de simple past gehad maar nog niet de regels rond isn’t it?, bij de ander is het andersom en wéér een ander roept benauwd: ‘Engels?! Nee toch?!’ Dus is de leraar eerst een half jaar bezig met het rechttrekken van de verschillen. Intussen zit een groot deel van de klas uit de neus te eten, tafels onder te kladden en natte propjes tegen het plafond te schieten. Huiswerk wordt al snel niet meer gemaakt: het is te gemakkelijk. En als het moeilijk is, wordt het te snel uitgelegd: de leraar wil nu wel eens verder met het echte programma.

Na dit eerste half jaar heeft de leraar nog een paar maanden over om de inmiddels zwaar gedemotiveerde brugklas iets nieuws en spannends te leren. Maar helaas, dat komt niet van de grond. Want inmiddels zit iedereen in een patroon van niet leren (een 4 voor de simple past wordt gecompenseerd door een 8 voor isn’t it?) en geen huiswerk maken. De leraar moet een keuze maken en besluit het dan maar te gaan hebben over woordvolgorde. Hij wel. Een andere leraar doet weer wat anders.

Vervolgens gaan we naar de tweede klas. Alle klassen worden opnieuw gemixt. Fijn, hè? Kunnen we weer opnieuw beginnen. Want nu heeft de één woordvolgorde behandeld gekregen, de ander literatuur en nummer drie schrikt nog steeds: ‘Engels?! Nee toch?!’

Waarom kunnen wij geen precieze geschiedenisperiodes voorschrijven aan het basisonderwijs? Aardrijkskundige gebieden? Wat leerlingen van een taal moet weten voor vwo, havo of vmbo? Zoals het nu gaat, is bijna de hele periode van vier, vijf of zes jaar een eeuwige herhaling van hetzelfde. En dat zorgt voor slecht huiswerk, een zesjescultuur, vaak spijbelen en uiteindelijk: afzakken van vwo naar havo en van havo naar vmbo. Verspilling van kennis en talent dus.

2Verbied progressiviteit

Leerlingen willen het liefst duidelijkheid en een stabiele omgeving. Niet weer een nieuw rooster, een ander systeem om cijfers te geven of integratie van internet in de communicatie tussen leraren en leerlingen.

Bij ons op school hebben we elk jaar wel twee of drie van dit soort veranderingen – en ik weet zeker dat we daar niet de enige in zijn. Soms zijn de veranderingen klein, soms zijn ze groot, maar er is nog geen enkel jaar geweest dat we op de automatische piloot konden. Iedereen struikelt voortdurend over nieuwe bureaucratie, die zogenaamd de efficiëntie moet verhogen.

Hou daarmee alsjeblieft mee op. En als er een enkele keer écht iets moet veranderen, doe dat dan pas als duidelijk is dat het ook werkt. Zelf vraag ik mij voortdurend af voor wie de vernieuwingen zijn bedoeld: voor de leerlingen of voor een school die graag vooruitstrevend, modern en cool wil zijn?

3Tot slot: gebruik multiple choice alleen als het noodzakelijk is

En dat is het bijna nooit. Ik weet: multiple choice is een snelle manier om te testen of iemand het weet, het scheelt veel spelfouten en het kijkt gemakkelijk na. Maar echt, het werkt niet goed op een middelbare school. Als leerlingen horen dat er multiple choice is gaat het leren (vaak ook op aanraden van de leraar) automatisch een tandje lager.

Multiple choice is namelijk gebaseerd op ‘o ja’-kennis. Je ziet het antwoord en denkt: o ja, dat was het. Zo is het niet bedoeld, maar zo pakt het negen van de tien keer wel uit. In plaats van een feit te reproduceren, hoeven we het nu alleen maar te herkennen tussen drie andere opties (waarvan één flauwekul, één leuk geprobeerd en één serieus).

Geloof me, het kan beter. Laat het onderwijs niet verslonzen. En doen jullie dat wel, dan pak ik straks jullie pensioen af. Simpelweg doordat ik dan putjesschepper ben geworden.

Tjeerd Posthuma (17) zit in 6 vwo. Hij schrijft columns voor enkele lokale kranten en is betrokken bij theaterproducties. Meer op www.tposthuma.com