Hem of haar niet verslijten met plassen

In aansluiting bij vorige week hier nog enkele losse taalobservaties.

Pakkelarrie. Gehoord uit de mond van een vriendin: wat een pakkelarrie. Ze bedoelde: wat een hoop troep bij elkaar. Het blijkt hier om een Groningse uitdrukking te gaan, die al in 1929 door K. ter Laan is opgetekend in diens Nieuw Groninger Woordenboek. Ter Laan omschrijft pakkelarrie als „minachtende uitdrukking voor oude kleren, lappen, papier enz”. Ik had dit nooit eerder gehoord.

Etalagebenen. Ook helemaal nieuw voor mij, etalagebenen, maar dit blijkt gewoon in de Grote Van Dale te staan, met als betekenis: „(volkstaal) benen met zo’n slechte bloedcirculatie dat men maar een klein stukje kan lopen en dan weer meteen moet stoppen (bijvoorbeeld bij een etalage) om te herstellen”.

Meteen even gekeken wat voor ‘volkse’ benen Van Dale nog meer kent. Ik vond onder meer: bakkersbenen voor ‘x-benen’, lutterbenen voor ‘onvaste, wankelende benen’, mokbenen voor ‘benen die onder aan de voeten dik en gezwollen zijn’ en pompbenen voor ‘dikke, lelijke benen’. Allemaal nieuw voor mij.

Maisveld. Onlangs zei schaatser Sven Kramer bij Pauw & Witteman: „Ja, dat is typisch Nederlands: als je je kop boven het maisveld uitsteekt...” Een bewoonster van een woonwagenkamp klaagde vorige week in een radioreportage over maatregelen van de overheid tegen de kampbewoners: „Echt, ze zetten je spychisch én geestelijk onder druk.” Er zijn meer mensen die spychisch zeggen in plaats van psychisch. Waarom? De kortste verklaring: woorden met sp- komen veel voor in het Nederlands (denk aan speel, spaar en spook), maar woorden met ps- bijna niet. Voor een langere verklaring, door een hoogleraar in de fonologie, zie www.nrc.nl/woordhoek.

Verslijten. Nagekomen mededeling over Gooische vrouwen. In een dialoog horen we in die tv-serie een vrouw verwijtend tegen een man zeggen: je hebt je lul niet versleten met plassen. Ik kan me nog goed herinneren dat ik die uitdrukking voor het eerst hoorde. Ik vond ’m erg plat en het leek me een treffende voorbeeld van vergroving – zoiets kon alleen in deze moderne tijd, meende ik. Inmiddels ben ik beter thuis in de geschiedenis van het Algemeen Informeel Nederlands. Wij mogen dan graag terugverlangen naar de normen en waarden van vroeger (van wanneer eigenlijk precies?), maar het is niet zo dat onze voorouders zoveel subtieler waren in hun taalgebruik. Hem of haar niet met pissen verslijten is bijvoorbeeld al in 1711 opgetekend (in een zin die in hertaling luidt „Het zou me werkelijk verdriet doen als ik mijn geslachtsdeel met pissen zou moeten verslijten”). Omstreeks 1900 tekende Lievevrouw-Coopman in Gent de uitdrukking ze kan ’t zij toch niet verslijten mee pissen op, samen met zij is meester van haar gat, gelijk de burgemeester van zijn stad. Ter toelichting van die laatste uitdrukking schreef hij: „Zij mag vrij over haren persoon beschikken; gezegd om een meisje te verontschuldigen wier gedrag op zedelijk gebied te wenschen overlaat.”

Klysma. Vorige week iemand horen zeggen: „Hij speelt in een klysmaband. Je weet wel, van die joodse muziek.” Het is natuurlijk ook een rotwoord, klezmer, dat op allerlei manieren wordt geschreven: kletsjmer, kletschmer enzovoorts. Volgens sommigen lijkt de muziek een beetje op dictieland.

Reacties naar sanders@nrc.nl of www.nrc.nl/woordhoek