Pensioenpaniek te wijten aan nieuwe toetsingsregel

Pensioenen moeten uitgaan van gemiddelden over vele decennia. De dagwaarde als basis van de dekking is hét recept voor kunstmatige instabiliteit, meent B.M.S. van Praag.

De Nederlandse pensioenfondsen overwegen de uitkeringen te verlagen. Een dramatische stap, voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog. Staat het er echt zo slecht voor met de pensioenfondsen?

Nu is het Nederlandse pensioenstelsel niet van vandaag of gisteren. Al tientallen jaren functioneert het zonder enige problemen. Maar pas de laatste jaren, om precies te zijn na invoering van het wettelijk Financieel Toetsingskader (FTK) in 2007, hoort men over problemen.

De huidige problemen worden toegeschreven aan dalende beurskoersen en dalende rentes, maar in de afgelopen decennia hebben deze altijd sterk gefluctueerd. Het prettige van deze factoren is dat wij daar niets aan kunnen doen en dat niemand de schuld kan krijgen van deze onverkwikkelijke, ja dramatische, ontwikkelingen. Maar laat ik hier dan een paar zaken noemen, die mede of misschien zelfs wel dé oorzaken zijn van de huidige narigheid – en waar we wél wat aan kunnen doen.

In de eerste plaats is de levensverwachting de laatste decennia gestegen met circa 2 jaar per decennium en bovendien zijn er meer vrouwen gaan werken, die circa 4 jaar langer leven dan mannen. Moest er enige decennia geleden nog gemiddeld 6 jaar pensioen betaald worden na het 65ste levensjaar, nu is dat wel 12 jaar. Dit impliceert dat de pensioenpremie had moeten stijgen met zeker een kwart tot de helft – en ik betwijfel of dit beleid gevolgd is.

Bovendien is er de geldontwaarding. Tot nu toe is vastgehouden aan de fictie van een vast pensioen dat bij overwinsten kon worden aangepast aan de gestegen koopkracht. Nu is het echter een volkswijsheid, ook omarmd door de Europese Centrale Bank (ECB), dat de economie het beste loopt bij een permanente inflatie van 2 procent per jaar. Dat impliceert dus dat een gepensioneerde, als hij niet geïndexeerd wordt, zijn koopkracht elk jaar met 2 procent ziet teruglopen. Formeel schijnt dit te mogen, maar het is natuurlijk nooit bij werknemers opgekomen, dat dit ook praktijk zou kunnen worden.

Ontsnappingsclausules voor pensioenfondsen waren bedoeld voor acute noodsituaties die men niet tijdig kon incalculeren. Een min of meer permanente bescheiden inflatie kan men wel incalculeren. Het betekent dat men niet van de nominale rente van zo’n 4 procent moet uitgaan maar van een rekenrente van 4-2=2 procent. Een groot deel van de misère komt doordat men in het verleden bij de pensioenfondsen premies heeft vastgesteld op basis van een te hoge rekenrente.

Ook werden de rendementsverwachtingen van het nieuwe vermogensbeheer – niet langer alleen saaie staatsobligaties en onroerend goed, maar aandelen, hedgefondsen en fantasierijke derivaten – veel te hoog ingeschat. Institutionele beleggers zoals pensioenfondsen hebben veel te grote vermogens in beheer om ‘lean and mean’ van elke financiële top naar een volgende top te springen. Het resultaat is dat het langetermijnrendement niet spectaculair omhoog is gegaan, maar het risico – door de sterk fluctuerende koersen van aandelen – wél.

Ten slotte het effect van de nieuwe FTK-regels, die er grof gezegd op neerkomen dat bezittingen en verplichtingen op dagwaarde moeten worden gewaardeerd. Gezien de instabiele beurskoersen en veranderende rentevoet is dat een gegarandeerd recept voor kunstmatige instabiliteit. De dekkingsgraad kan binnen een paar maanden zakken van 130 tot 85, terwijl er niets verandert in de portefeuille. Het ABP, voorheen het toonbeeld van degelijkheid, maakte gisteren bekend dat de dekkingsgraad nog maar 90 procent is.

Wanneer die fluctuaties leiden tot bruuske verhogingen van premies en verlagingen van pensioentoezeggingen, dan krijgen de FTK-regels zelfs aanzienlijke en morbide macro-economische implicaties. Het werkt destabiliserend op de conjunctuurcyclus.

Beurskoersen en rentes fluctueren altijd en heftig. De langetermijngemiddelden – en een pensioenfonds werkt met verplichtingen die zich uitstrekken over vele decennia – veranderen slechts geleidelijk. Het lijkt dus verstandig de berekening van de dekkingsgraad niet te baseren op dagprijzen maar op langlopende voortschrijdende gemiddelden, bijvoorbeeld over een periode van tien of meer jaren. Dit geldt zowel voor de marktrente, als de inflatie, als de beurskoersen.

Er lijkt dus ook niets tegen om de hersteltermijn van drie jaar naar vijf jaar te verlengen, zoals de pensioenfondsen bepleiten. Het lijkt echter nog meer gewenst het toetsingsbeleid ten principale te wijzigen en niet langer uit te gaan van dagkoersen. Dan zou ook wel eens kunnen blijken dat de huidige paniek voor een groot deel veroorzaakt wordt door de nieuwe regels, en geen degelijk fundament heeft.

Uiteraard betekenen deze ingrepen bij de te hanteren rekenrente en de vervanging van dagwaarden voor inflatie, rente en beurskoersen door langlopende voortschrijdende gemiddelden een majeure verandering van beleid. Maar doen we het niet, dan vliegt dit systeem geheid uit de bocht.

B.M.S. van Praag is emeritus universiteitshoogleraar economie Universiteit van Amsterdam.