Jansons sensueel, subtiel en agressief

Klassiek: Kon. Concertgebouworkest o.lv. M. Jansons, 29/1. Herh.: 1, 4/2 aldaar; 30/1 Bozar, Brussel. * * * * *

Bij zijn afscheid als directeur van het Concertgebouworkest onthulde Jan Willem Loot dinsdagavond enkele van zijn geloofsbrieven.

Bij voorbeeld: ga nooit op tournee met een solist. Dat leidt de aandacht af van het orkest. Volgende week bij voorbeeld, naar Frankfurt, Basel en Wenen, met hetzelfde programma dat hij hier deze en volgende week vast warm speelt.

Een andere motto had kunnen zijn: kies gevarieerd tourneerepertoire, waarin het orkest zich optimaal kan bewijzen. Jansons streeft als dirigent óók naar een breed repertoire, zodat het orkest in monsterbezetting aanschoof voor drie Wagner-fragmenten als opmaat tot Sjostakovitsj’ Tiende symfonie.

Jansons’ blik op de Ouvertüre Tannhäuser in enkele trefwoorden: dynamisch, warmbloedig, theatraal en subtiel. Zijn voorkeur voor onverwachte kleuringen in de klankbalans leidde tot fel uitgelichte begeleidingsfiguren in de strijkers – als tegenwicht van het heroïsche koper. Contrastrijk waren ook de scènes uit Götterdämmerung (Siegfrieds Rheinfahrt en Trauermusik), subtiel laverend tussen een donkerbruine, zinderende gloed en klaroenheldere koperkoralen. Het verlangen naar een integrale Wagner met het KCO onder Jansons vlamde fel op. Liefst Parsifal. En dan nooit meer zeuren.

Het orkest, steeds spelend met een grote verfijning, realiseerde in Sjostakovitsj’ Tiende symfonie een authentieke, hypergelaagde Sjostakovitsjstijl.

De toch al zo ideeënrijke Tiende kreeg daardoor het aangezicht van een mensenleven gevat in een uur, inclusief alle gradiënten tussen wanhoop, uitgelatenheid en agressie. Die werd soms zó eng illustratief gespeeld, dat er zelfs nerveus om werd gegiecheld.