Aardige jongens in vernietigende strijd

Van alle oorlogen heeft de Eerste Wereldoorlog de beste literatuur opgeleverd. Ook nu inspireert hij nog.

John Nash: Oppy Wood, 1917, evening Slagveld
John Nash: Oppy Wood, 1917, evening Slagveld

Zonder dat wij ons nu echt ‘verbroederen’, laten wij moffenbroeders die zich op een afstand van meer dan 70 meter bevinden met rust, zolang ze aardig voor ons zijn.” Dit schreef de Britse dichter Charles Sorley in een brief naar huis in het najaar van 1914, toen hij zich in de loopgraven aan het front in Frankrijk bevond. De Eerste Wereldoorlog was toen net een paar maanden bezig.

Het citaat staat in Modris Eksteins Rites of Spring, dat ik tijdens mijn studie las. Het fascineerde meteen: die leven en laten leven-mentaliteit tegen dat decor van totale vernietiging. Ik wist toen niet veel van de Eerste Wereldoorlog, maar het beeld van oprukkende soldaten die met honderden tegelijk door mitrailleurs werden neergemaaid, was bekend, en krachtig. Dit citaat gaf een heel ander beeld. Zomaar dat woordje, ‘aardig’; in die context ogenschijnlijk volstrekt niet op zijn plaats. Wat zou dat onder die omstandigheden hebben betekend?

Verderop in het boek wordt het nog beter. Duitsers en geallieerden communiceren dan zelfs met elkaar. „Ze roepen iedere ochtend of we zin hebben om ’s avonds te komen eten”, schrijft soldaat Frank Devine. „Op een dag hielden ze een stuk schoolbord omhoog en daar stond met grote letters op geschreven: ‘Wanneer gaan jullie Engelsen nou eens naar huis en laten ons met rust.’ Ze roepen naar ons dat ze vrede willen.”

En zo, opeens, was een oude, abstracte oorlog levend, menselijk, ontroerend, dichtbij.

Soldaten van beide zijden bleken gewone jongens, die de oorlog zat waren – jongens met humor bovendien. Vervolgens verslond ik de, gelukkig talrijke, verhalen. Van geen oorlog zijn zoveel egodocumenten van soldaten bewaard gebleven: brieven, dagboeken, gedichten, romans.

Ik vind de feiten nog steeds verbijsterend: de gigantische materiële operatie die op gang werd gebracht, de niet te bevatten hoeveelheid slachtoffers (meer dan negen miljoen, militairen en burgers), de leefomstandigheden in de loopgraven, de nieuwe wapens waarmee de soldaten, met onvoldoende bescherming, werden geconfronteerd, de talloze misverstanden en militair-strategische blunders van de legerleiding.

Daarbij kwamen hartverscheurende menselijke anekdotes. De briefjes die de opponenten elkaar stuurden en de cadeautjes die ze uitwisselden tijdens de eerste kerstviering in de loopgraven. De speciale halal-veldkeukens voor moslimsoldaten uit de koloniale bataljons. De zogeheten pals bataljons, waarbij vrienden, collega’s of buren een bataljon konden vormen (en waardoor soms in één keer alle werknemers van één fabriek of alle mannen uit één straat omkwamen) en natuurlijk de mythische voetbalwedstrijd tussen Duitsers, Fransen en Engelsen, Kerst 1914. Christian Caron maakte er in 2005 een aardige film over, Joyeux Noël.

De mooiste romans over de oorlog, van mannen die hem zelf vochten – Richard Aldington (Death of a Hero), Robert Graves (Goodbye to all that), Henri Barbusse (Le Feu) en Ernst Jünger (In Stahlgewittern) – verrijken de materie met filosofische thema’s: techniek versus menselijkheid, de illusie van beschaving of destructie als voorwaarde voor vooruitgang. Daarnaast inspireerde WO I tot de indrukwekkendste oorlogspoëzie ooit.

Mij fascineert vooral die verwerking van de oorlog in fictie, in kunst. De oorlog als toneel van de levensbeschouwing. Zo fungeert hij ook nu nog, in recente romans. Als ‘literaire oorlog’ is WO I onverslagen.