Ook Rutte bukt voor de bully

Mark Rutte heeft zondag in De Telegraaf gezegd dat de vrijheid van meningsuiting in ons land te veel aan banden wordt gelegd. Daarom moet de wet (hij doelt op het verbod van haat zaaien en discriminatie in de artikelen 137c en volgende van het Wetboek van strafrecht) op de schop. Dit vraagt om verduidelijking.

Het lijkt een liberale stellingname in het nu al jaren slepende debat over de vraag of de wetgever een rangorde moet aanbrengen tussen de verschillende grondrechten, iets wat tot dusver uitdrukkelijk is overgelaten aan de rechterlijke macht, die in concrete gevallen een afweging maakt. Wat te doen als er spanning bestaat tussen de persvrijheid en het recht op privacy? Of als de rechten van vrouwen botsen met de godsdienstvrijheid? Of als in naam van een opperwezen iemands seksuele geaardheid als crimineel wordt aangemerkt?

Rutte lijkt te ontkennen dat hier problemen kunnen rijzen die een afweging per geval noodzakelijk maken. Maar die problemen zijn er nu eenmaal en ik ben benieuwd welke oplossing de VVD daarvoor in petto heeft.

Als smaad, laster, discriminatie en belediging van bevolkingsgroepen op voorhand gerechtvaardigd zijn met een beroep op de vrijheid van meningsuiting, dan zijn vrouwen, homo’s, etnische minderheden en aanhangers van om het even welke religie of seculiere ideologie vogelvrij in het publieke debat. Bedoelt Rutte dat werkelijk?

Tot dusver kregen mensen die zich als lid van een bevolkingsgroep beledigd of bedreigd achten, te horen: dan kunt u in Nederland altijd nog naar de onafhankelijke rechter. Maar nu wekt Rutte de indruk hun juist die mogelijkheid te willen ontnemen met een opportunistische wetswijziging.

Er lopen in zijn flodderige argumentatie twee denkbeelden door elkaar. Ten eerste de onbetwistbaar juiste gedachte dat van alle grondrechten de vrijheid van meningsuiting de belangrijkste is. Dit is de basis van de democratie. De vrijheid van denken en geweten, de vrijheid van vereniging en demonstratie, de persoonlijke rechten – ze zijn ondenkbaar zonder de vrijheid van meningsuiting. Dus die staat voorop. Het tweede denkbeeld dat Rutte lijkt te omarmen is echter problematischer, namelijk dat de vrijheid van meningsuiting absoluut is en niet mag worden begrensd door andere rechten.

Rutte verwijst hiervoor maar weer eens naar de Verenigde Staten, alsof daar geen beperkingen zouden gelden. Onzin: in de VS geldt het criterium dat uitingen zijn verboden als deze een ‘clear and present danger’ vormen. Of van een dergelijk gevaar sprake is, staat óók in de VS ter beoordeling aan de rechterlijke macht.

De ironie wil dat in de zaak-Wilders het gerechtshof in Amsterdam nu juist het Amerikaanse gevaarscriterium hanteert. Volgens het hof zijn de klagers in deze zaak ontvankelijk, omdat individuele burgers er een concreet belang bij hebben „dat een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend”.

Een andere kwestie is of het hof hier de kring van belanghebbenden niet veel te ruim trekt. In feite is volgens de beschikking iedere burger te beschouwen als ‘belanghebbende’ in de procedure. Dat lijkt me bedenkelijk. Beter was het geweest als het Openbaar Ministerie zélf de moed had gehad tot vervolging van Wilders over te gaan. Maar uit angst voor diens vermeende electoraat reageerde het OM op de vertoning van Fitna met het instellen van vervolging tegen, tadááá, de onbekende tekenaar Gregorius Nekschot – en wel op precies dezelfde gronden als nu door het hof worden aangevoerd in de zaak-Wilders.

Dus anders dan Rutte vindt het OM haat zaaien en discriminatie wél strafbaar, alleen heeft het indertijd lafhartig een stand-in gezocht om rechterlijke toetsing mogelijk te maken. En dat terwijl algemeen aanvaard is dat bij satire, cartoons, columns de opzet tot beledigen en discrimineren vrijwel nooit bewijsbaar is. Daarentegen meende het OM dat juist een zaak tegen Wilders kansloos zou zijn, omdat hij een bijdrage levert aan het politieke debat.

Mogelijk wordt dit de uitkomst. Maar ook als Wilders om deze reden wordt vrijgesproken, blijft Rutte het antwoord schuldig op de vraag of in het politieke domein een vrijbrief bestaat voor de aantasting van de rechten van anderen. Paradoxaal genoeg wordt de vrijheid van meningsuiting nu aangeroepen om haar straks voor anderen af te kunnen schaffen. Mark Rutte vindt blijkbaar uitingen van haat die leiden tot het criminaliseren van een geloofsovertuiging, legitiem. Dergelijke uitingen zijn voor de maatschappij juist des te bedreigender naarmate er meer politiek mee wordt bedreven.

Dit verzin ik niet, het is een liberaal leerstuk. Volgens een van de belangrijkste liberale denkers van de twintigste eeuw, John Rawls, is het mogelijk een ‘overlappende consensus’ te vinden over het feit dat levensbeschouwelijke conflicten onbeslisbaar zijn en dus ten koste van alles buiten de politiek moeten worden gehouden.

Als burgers van onvolmaakte samenlevingen, waarin meningen botsen, moeten we leren opvattingen en gedragingen te verdragen die we principieel afwijzen en die zelfs onze afkeer opwekken, zegt Rawls. Daarom mag de overheid zich niet uitspreken over de waarde of de waarheid van deze of gene levensbeschouwing, religieus of seculier.

Op grond van de criteria die Rawls ontwikkelde in Political liberalism (1993) zouden politici als Wilders zelfs buiten de politieke arena moeten worden geplaatst. Dat hoeft van mij niet, maar waarom geeft de liberaal Rutte hem zelfs geen weerwerk? Waarom laat hij dat over aan Pechtold van D66? Ik vrees dat Rutte zich, evenals het Openbaar Ministerie, gewoon laat intimideren. Op het gescheld van een bully die de vrijheden van anderen aan zijn laars lapt, blijft het liberale antwoord van de VVD vooralsnog uit.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty.