Een gunst is geen recht

Voorzitter P. Winsemius is verantwoordelijk voor het rapport dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft gewijd aan de jaarlijks meer dan 50.000 vroegtijdige schoolverlaters op vmbo en mbo. Hij is „enorm geschrokken”, verklaarde hij. Hij had geen weet van de ernst van de problemen waarmee deze jongeren te kampen hebben. Dat valt op in een land waar vele televisiedocumentaires in kaart brachten hoe leraren, schooldirecties en leerplichtambtenaren zich inzetten voor in ellende verglijdende leerlingen, en waar Margalith Kleijwegt in haar boek Onzichtbare ouders het drama beschreef van allochtone ouders die zich distantiëren van de schoolgang van hun kinderen.

Onder voorzitterschap van Winsemius doet het WRR-rapport Vertrouwen in de school aanbevelingen die meer weg hebben van paniek dan van doordachte beleidsadviezen.

Om de groepen leerlingen die Winsemius beurtelings benoemt als „overbelast”, „probleemjongeren” en „kansarm” sterker te laten staan en in staat te stellen een diploma te behalen, wil het rapport dat ze worden gespreid. Daartoe kan in bepaalde regio’s de scholen worden opgedragen 35 procent van het aantal plaatsen voor zulke leerlingen te reserveren. Loopt het spreiden mis, dan kunnen er speciale rijksscholen voor probleemgevallen worden ingericht. Het rapport gaat voorbij aan het psychologisch effect van zo’n maatregel. Het slepen met of apart, dus gesegregeerd, plaatsen van probleemleerlingen biedt een angstaanjagend perspectief. Al was het maar omdat zulke leerlingen, die dondersgoed weten dat ze als probleem worden gezien, officieel als losers worden aangemerkt.

Het WRR-rapport legt de vmbo- en mbo-scholen een metamorfose op. Ze zijn er niet langer alleen voor onderwijs. Ze worden aangemerkt als zorginstelling. Als opvoedingsinstituut. Als aanbieder van psychologische en maatschappelijke begeleiding, en van allerlei opvang. Docenten moeten „vader en moeder” worden. Ze dienen structuur voor de levens van hun leerlingen te waarborgen, ja zelfs te voorzien in „verbondenheid”.

Nu al zetten talloze leraren en schoolleiders zich heldhaftig in voor leerlingen in hartverscheurende situaties. Hun inspanningen verdienen het te worden her- en erkend, en beloond. Worden ze echter geïnstitutionaliseerd, zoals de WRR voorstelt, dan verwordt hun gunst tot een recht. Niet zozeer van de leerlingen, maar van hun ouders. Die krijgen het signaal dat hun kinderen alleen hun verantwoordelijkheid zijn als het goed met ze gaat. Gaat het mis, dan moet de school klaarstaan, met structuur en goede zorgen.

Minder wereldvreemd zou het zijn in bepaalde regio’s op elke vmbo- en mbo-school standaard een kleinschalige professionele hulppost in te richten, bemand door een team waarin ook leraren zitten. De probleemleerling kan er naartoe, vrijwillig of op dwingende aanwijzing van de schoolleiding. Die onhandelbare drugsdealer. En ook dat stille meisje van wie een ervaren leerkracht op zijn klompen voelt dat het niet goed met haar gaat en dat ze de school dreigt te verlaten.