Tegendraads zijn kan niet meer

Juli Zeh is bezorgd over de toenemende grip van de staat.

Met Ilja Trojanow werkt ze aan een pamflet tegen de gevolgen van de Europese anti-terreurwetgeving.

Voor het hotel, in een donker steegje, staat Juli Zeh te roken. Want binnen mag het niet. De succesvolle Duitse schrijfster die als een outcast de kou in is gestuurd, klaagt er niet over. Nu even niet tenminste. Maar in haar recente toneelstuk Corpus Delicti keert ze zich fel tegen de door de staat uitgeoefende ‘gezondheidsterreur’. Een jonge vrouw staat terecht omdat ze, onder meer, rookt. Het speelt in 2057 en toch gaat het drama ook over de huidige tijd. „De staat”, zegt Zeh als haar sigaret op is en zij weer het hotel in mag, „probeert steeds meer grip op onze levens te krijgen. Het rookverbod is daar maar een klein voorbeeld van. Erger is dat we binnenkort geen tegendraadse ideeën meer mogen hebben. Onder het mom van veiligheid mag de staat andersdenkenden afluisteren, isoleren en zelfs vervolgen. Als die ontwikkeling ongestraft doorgaat, zitten we zo weer in de Middeleeuwen en hun heksenjacht.”

Een pamflet tegen de gevolgen van de Europese antiterreurwetgeving is bijna af, door haar geschreven in samenwerking met haar collega Ilja Trojanow. „We komen op voor elementaire burgerrechten. De sociale staat mag geen extreem controlerende staat worden. Democratie berust op vrijwilligheid. Smoor je die vrijwilligheid in de kiem, dan haal je de fundamenten onder de democratie vandaan.”

Zeh (35) verblijft maar kort in Den Haag, haar huis lokt haar naar Duitsland terug. „Ik ben verliefd op dat huis geworden. Een romantisch huis onder oude bomen, met een groot stuk grond en vrij uitzicht op de velden.” In het lieflijke Havelland ligt het, op maar dertig minuten rijden van Berlijn. Ze woont er met haar vriend en met haar dieren. Met haar trouwe hond Othello bijvoorbeeld, die haar in het echt en in haar boek De stilte is een geluid (Die Stille ist ein Geräusch, 2002) op reis door het geteisterde Bosnië vergezelde. „Ik ben bedroefd”, zucht ze, „want hij zal het niet lang meer maken, ’t is een oude hond.” Tijdens die Balkanreis besefte ze dat ook in West-Europa elk moment een oorlog kan uitbreken: „De mensen daar zijn echt niet slechter dan de mensen hier. Nee, dat inzicht verontrust me niet. Het geeft juist rust om de waarheid te kennen.”

In (ex-)Joegoslavië verdiept Juli Zeh zich sinds haar debuut Adelaars en engelen (Adler und Engel, 2001), een sinistere en toch in 28 talen vertaalde roman over een volkenrechtdeskundige en zijn liefde voor de dochter van een drugshandelaar op de Balkan. Ook Zeh is een volkenrechtdeskundige. Haar dissertatie ging over de onduidelijke volkenrechtelijke status van Bosnië en Kosovo, een verwarring die criminelen goed uitkomt. Veel boeken van deze juriste eindigen met een rechtszaak. Of ze zijn helemaal in de vorm van een rechtszaak geschreven, zoals Corpus Delicti.

In de roman Speeldrift (Spieltrieb, 2004) moet een rechter orde scheppen. Twee gymnasiasten voeren een wreed experiment uit met een leraar. Deze ‘achterkleinkinderen van de nihilisten’ hebben morele regels vervangen door de immorele regels van de speltheorie en op de leraar testen zij hun kennis. De rechter komt op de proppen als het spel uit de hand is gelopen. Zeh: „Hij moet toegeven dat het recht geen antwoord heeft. Want met hun nihilisme plaatsen die scholieren zich buiten de morele kaders van het bestaande recht. Ik probeerde me twee jonge mensen voor te stellen die geen enkel besef van goed en kwaad hebben en voor mij was dat haast sciencefiction. Ik schrok toen bij lezingen op gymnasia veel scholieren zich in mijn hoofdpersonen herkenden.” Waarom die hoofdpersonen, de slimme pubers Alev en Ada, nergens meer in geloven? „Omdat de wereld om hen heen ook nergens meer in gelooft. Niet in God, niet in het vaderland, niet in de familie. Ze zijn opgegroeid in een maatschappij zonder moreel kompas.” Zeh aarzelt bij de vraag waar zij zelf in gelooft. „Mijn ouders hebben mij een areligieuze, sceptische houding bijgebracht, een houding waarbij je steeds moet beseffen welke consequenties je daden voor anderen hebben.” Dus draaien al haar boeken rond het klassieke probleem van vrijheid en verantwoordelijkheid.

Net als Speeldrift bevat Zeh’s pas vertaalde thriller Vrije val (Schilf, 2007) een ethisch experiment. De natuurwetenschappers Oskar en Sebastian zijn vrienden en tegelijk rivalen. Om zijn grote gelijk te bewijzen doet Oskar Sebastian geloven dat zijn zoontje is ontvoerd. Met fatale gevolgen.

Niets is wat het lijkt en ter verklaring van raadselachtige fenomenen als toeval en noodlot, werkelijkheid, schijn en tijd gaat Zeh bij natuurkundige theorieën te rade. Sebastian bepleit de vele-wereldentheorie, het bestaan van parallelle universums. ‘Alles wat mogelijk is, gebeurt’, concludeert hij. Maar daarin gaat Oskar niet mee, hij vindt het slap, en het lijkt hem te veel op Orwelliaanse doublethink.

Zeh voelt evenmin voor deze theorie: „Stel je voor: elk atoom dat zich in deze ruimte beweegt, opent een nieuw universum. Dat is toch te gek voor woorden? Maar voor schrijvers is het een mooi beeld. Schrijvers leven immers ook altijd in parallelle universums.” Daarbij koos ze voor Vrije val een originele blik: „Ik heb het vogelperspectief letterlijk genomen, vogels vertellen het verhaal. Zij zien meer dan mensen.”

Kijk voor meer over Juli Zeh op: www.juli-zeh.de. Haar werk verschijnt in Nederland bij Ambo/Anthos en in Duitsland bij Schöffling & Co