Schoolverlaters geen zaak van school alleen

Zadel scholen niet op met nog meer taken. Pak de maatschappelijke oorzaken van schooluitval aan, bepleiten Jaap Dronkers en Stan van Alphen.

‘Vertrouwen in de school’ heet het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat vandaag verschijnt. De boodschap in deze studie over de voortijdige uitval van jongeren in het Nederlandse onderwijs is oud: risicojongeren vereisen meer aandacht. Maar de aanbeveling is nieuw: zij hebben structuur en verbondenheid binnen scholen nodig. Het belangrijkste onderscheid dat de WRR introduceert, is tussen niet-kunners (10 procent), risicovolle uitvallers (30 procent) en jongeren die bewust de school de rug toekeren (60 procent).

Echter, twee kwesties worden in dit rapport onvoldoende behandeld. Ten eerste ligt de nadruk te veel op het Europese kader van startkwalificaties, wat leidt tot een verwarring van onderwijs- en arbeidsmarktgerelateerde argumenten. Ten tweede, waarom kunnen scholen wel voldoende structuur en verbondenheid scheppen teneinde de „opeenstapeling van problemen” te compenseren die ten grondslag ligt aan de schooluitval van risicojongeren, als die structuur en verbondenheid in gezinnen en wijken onvoldoende geboden wordt?

De WRR negeert het belangrijke verschil tussen schooluitval enerzijds en schoolverlaten zonder startkwalificatie anderzijds. Op het terugdringen van dat laatste mikt de EU in haar streven naar de Europese kenniseconomie. De EU-doelstellingen zijn niet gericht op de drop-outs, maar op laagopgeleide jongeren, die niet in staat zijn gebleken een startkwalificatie te bemachtigen. De startkwalificatie is ontworpen als minimaal toegangscertificaat voor de concurrerende Europese arbeidsmarkt, niet als een op te leggen streefdoel voor overbelaste jongeren. De WRR zegt daarom ten onrechte dat een landenvergelijking van voortijdig schoolverlaten problematisch is.

Een dergelijke landenvergelijking is wel degelijk mogelijk, maar richt zich op de arbeidsmarkt in plaats van op het onderwijs. Beide instituties hebben hun eigen mechanismen en nemen verschillende vormen aan. Europees beleid en de Lissabon-doelstelling beogen het productiviteitsniveau van de beroepsbevolking te verhogen. Nationaal beleid van lidstaten richt zich eerder op jongeren die als gevolg van de opeenstapeling van uiteenlopende, vaak samenhangende, problemen de school verlaten. Meer dan politieke en economische overwegingen bevat de nationale doelstelling een sociale dimensie, in het bijzonder gericht op kansarme jongeren en tegen maatschappelijke uitval.

Het WRR-rapport richt zich op de schooluitval van overbelaste jongeren. De WRR meent dat voor hen het Nederlands onderwijsbeleid het meest relevant is. Maar dan is het zowel onnodig als onjuist dat de WRR de overbelaste jongeren herhaaldelijk in een Europees kader plaatst van startkwalificaties en Lissabon-doelstellingen. Als de WRR dat Europees kader echt belangrijk had gevonden, had de Raad de relaties tussen onderwijs en arbeidsmarkt moeten analyseren, alsmede de inhoudelijke kwaliteit van het mbo-onderwijs (waar de uitval het grootst is).

Overbelaste of risicojongeren vallen uit omdat zij opgroeien in gebroken gezinnen, in achterstandsbuurten of in een gemeenschap met veel agressie en criminaliteit. De WRR wil vooral scholen uitrusten om een van de gevolgen van die overbelasting met problemen, schooluitval, tegen te gaan. De vraag is echter of scholen – ook als ze beter toegerust worden – voldoende in staat zijn deze problemen van overbelaste jongeren te compenseren. De WRR gaat niet in op de vraag of het niet beter is de daadwerkelijke maatschappelijke problemen aan te pakken, in plaats van aan het eind van de keten aan symptoombestrijding te doen. Echtscheidingen met kinderen en de negatieve gevolgen daarvan komen niet zomaar uit de lucht vallen, maar zijn het gevolg van bepaalde politieke en maatschappelijke keuzes. De grote nadruk op het privékarakter van samenlevingsvormen en op de rechten van de ouders op individueel geluk in wetgeving en moderne cultuur heeft geleid tot een verwaarlozing van de belangen die kinderen hebben bij stabiele relaties en tot het afwentelen van de nadelige gevolgen op de samenleving.

Hetzelfde geldt voor het drugsbeleid: dat is geen natuurverschijnsel, maar veeleer het gevolg van bepaalde politieke en maatschappelijke keuzes die ertoe leiden dat drugs gemakkelijk verkrijgbaar zijn voor juist jongeren die zwak in hun schoenen staan. Al die maatschappelijke oorzaken worden in het rapport slechts aangestipt; er wordt verwezen naar een wijkaanpak en naar grote steden, en daar blijft het bij. Nergens een woord over wat de overheid zou kunnen of moeten doen om het beleid dat mede bijdraagt aan die oorzaken, te veranderen. Nergens een afweging van kosten en baten van een aanpak van die oorzaken, tegen de kosten en baten om scholen beter toe te rusten om schooluitval aan te pakken.

De rest van het rapport gaat over het onderwijs en het toerusten van scholen. Dat maakt dit WRR-rapport geen slecht rapport, maar een dergelijk rapport zou door OC&W geschreven moeten worden, als een sectorale bijdrage aan de aanpak van risicojongeren. Een WRR-rapport zou juist verschillende sectorale aanpakken (onderwijs, huisvesting, justitie, volksgezondheid, integratie) moeten afwegen en tot een afgewogen aanpak moeten komen.

Daarin faalt dit rapport, en daarmee is de WRR een onderdeel van de Haagse verkokering geworden.

Jaap Dronkers en Stan van Alphen zijn verbonden aan het Europees Universitair Instituut in Florence.