Ik ben een cavia en ik reis alleen

De middag rook naar natte winterjassen en hamburgers to go en het leek alsof alle grote mensen haast hadden. Aan de muur van de stationshal hing een televisie voor reuzen. Charlie vroeg zich af of zo’n groot scherm in de woonkamer zou passen. Bij mama misschien wel. Bij papa echt nooit.

Ze sloeg haar armen over elkaar en wiebelde met haar tenen. Haar voeten waren altijd koud op vrijdag. Op het scherm voor reuzen kwam het nieuws voor gewone mensen voorbij. Weer hetzelfde filmpje van twee hoopvolle zwarte meisjes in kleurige winterjassen. Geen wonder dat die kinderen straalden. Ze hadden gloednieuwe jassen. En hun ouders waren nog bij elkaar.

‘Charlie, we moeten rennen!’

Haar moeder zwaaide met een treinkaartje. Samen holden ze de roltrap af naar perron veertien. Een conducteur met een gehaakte sjaal stond al klaar om op zijn fluitje te blazen. Charlie trok het kaartje uit haar moeders handen en keek niet meer om.

‘Veel plezier!’ hoorde ze nog, maar dat riep mama tegen zichzelf. Veel plezier zonder kind, bedoelde ze.

De treinen naar papa waren altijd oud. Nooit reed er eens een nieuwe dubbeldekker met paarse stoelen en zo’n fijn zangerig gezoem. De stoelen in deze coupé hadden een lichte poepkleur en te veel vering. Charlie gooide een stapel gratis kranten op de grond en ging voorzichtig zitten naast een mevrouw die overbloesde. Toen pas zag ze dat op de stoel tegenover haar een kooi stond.

Een huis van tralies was vastgeklikt op een plastic bak gevuld met zaagsel en plukken hooi. Tussen keutels en stukjes biks zat een compact dier met glanzende ogen en een dikke vacht. Zijn snuit was kastanjebruin, dan kwam er een stuk wit en achteraan zat nog een grote zwarte vlek. Poten waren niet te zien.

Bovenop de kooi lag een envelop. Charlie kon net lezen wat erop stond: Geachte conducteur. Mijn naam is Nina. Ik ben een cavia en ik reis alleen. In deze envelop vindt u mijn kaartje. Ik bijt onbekenden, maar achteraf heb ik altijd spijt.

Charlie lachte. Voor het eerst vandaag.

‘Ik ken haar nu zeven maanden.’ De dikke vrouw naast haar knikte naar de kooi. ‘Nina is de vrolijkste cavia die ik ken.’ Ze zuchtte. ‘Eerst dacht ik dat ze het niet aan zou kunnen. Maar nu reist ze al zeven maanden heen en weer van hem naar haar en van haar naar hem.’

‘Alleen?’ vroeg Charlie. Haar voeten waren nog steeds koud.

De vrouw knikte. ‘Ze hebben geen zin om haar helemaal te brengen. Is natuurlijk ook lastig. Moet je elkaar steeds weer zien...’ Ze pakte een gevulde koek uit haar tas. ‘Jij ook?’

Charlie schudde haar hoofd en keek naar Nina. Dus zo zag een vrolijke cavia eruit. Als een homp klei met haren. Alleen Nina’s oren waren lief: flinterdun en gerimpeld, als bloemblaadjes die net uit de knop kwamen.

De conducteur met de gehaakte sjaal kwam de coupé binnen. Hij glimlachte toen hij de kooi zag.

‘Nina! Ik was vergeten dat het jouw dag was...’ Voorzichtig haalde hij haar kinderkaartje uit de envelop en stempelde het af.

‘Ik vergeet het nooit’, zei de vrouw met volle mond. Je zag nu goed dat ze paarse oogschaduw droeg, want bij het kauwen deed ze haar ogen soms even dicht. ‘Nina en ik reizen altijd met dezelfde trein. Ik plan mijn week er omheen. Dat zachte gefluit maakt me rustig.’

Charlie voelde haar telefoon trillen in haar broekzak. Ze kreeg een sms’je: Hee Char, zullen we morgen naar de ijsbaan? Oefenen voor als het weer gaat vriezen! Liefs, papa. Ze zuchtte. Hij was natuurlijk alweer vergeten dat haar schaatsen nu bij mama lagen. Ze sms’te niet terug.

Zwijgend gaf ze haar kaartje aan de conducteur. Met een speciale kinderknipper maakte hij een gaatje in de vorm van een vlinder. Ze stopte het kaartje dat er nu kinderachtig uitzag vlug terug in haar jaszak.

De man lachte naar haar. ‘Nina en jij moeten er op hetzelfde station uit. Leuk hè, zo’n ondernemende cavia.’

‘Ik vind het zielig’, zei ze koel.

‘Zielig?’

‘Ja’. Ze keek naar het vrolijke knaagdier. ‘Elke week een ander baasje, daar word je toch gek van? De hele tijd ander eten, een andere kamer, ander donker op de gang. Dan ga je midden in de nacht naar de wc en knal je tegen een kast op, omdat je denkt dat je in een heel ander huis slaapt.’

‘Nina laat zich niet gek maken’, zei de vrouw. ‘Haar leven is een avontuur.’

De conducteur leunde tegen een stoel aan de andere kant van het gangpad. Buiten stoven vaalgroene weilanden voorbij. Er lag bijna geen ijs meer op de sloten.

‘Die cavia is echt niet zielig’, zei hij. Uit een moedervlek op zijn kin groeide een lange haar die verdween in de gehaakte sjaal. ‘Haar enige probleem is dat er te veel mensen van haar houden.’

Charlie hield haar hoofd schuin en keek naar de kooi.

‘Zorg jij ervoor dat Nina op tijd uitstapt?’ vroeg de conducteur. ‘Zeg maar tegen haar baasje dat hij een lampje moet aanlaten op haar slaapkamer.’

Hij wachtte net zolang totdat ze knikte en toen liep hij eindelijk door. Bij het volgende station stapte de dikke vrouw uit. De tweede gevulde koek liet ze achter op haar stoel.

Nu zat Charlie helemaal alleen tegenover de cavia. Ze keek een tijd uit het raampje en toen weer naar de kooi. Opeens stond ze op. Ze boog zich voorover. Nina’s witte flanken bewogen niet. Haar snuit stond stil en haar ogen blonken uitdrukkingsloos.

Charlie keek verward om zich heen. Moest ze de conducteur roepen? Aan de noodrem trekken? Hoe erg was een dode cavia?

Op dat moment bewoog Nina. Ze nieste en begon op een zonnebloempit te knabbelen. Charlie ging weer zitten. Haar voeten gloeiden opeens. Ze pakte de gevulde koek van de stoel naast haar en nam een grote hap. Even deed ze haar ogen dicht en luisterde ze naar de cavia. Toen begon ze aan een sms’je aan haar vader.

Anna Woltz (27) is schrijfster van een groot aantal jeugdboeken, waaronder’ Alles kookt over’ en ‘Post uit de oorlog’.

Ter gelegenheid van de Nationale Voorleesdagen vroeg nrc.next schrijfster Anna Woltz een verhaal te maken om voor te lezen. De voorleesdagen duren nog tot 31 januari.

Voorleestips en een Prentenboek toptien via www.nationalevoorleesdagen.nl