Noodlottige nootmuskaat

De Banda-eilanden gelden als de parel van de Molukken. Ze lijken een openluchtmuseum van het Nederlandse kolonialisme in Indonesië.

Na een tocht over golven van wel zeven meter laveert het Indonesische passagiersschip rustig tussen rotspunten door naar de haven van Banda-Neira. Zodra de boot aan de kade van de ‘hoofdstad’ van de Banda-archipel ligt, beginnen passagiers te duwen om het schip te verlaten. Ook mensen op doorreis willen uitstappen om lekkernijen in te slaan bij de stalletjes waar Bandanezen gerookte vis, kaneel, nootmuskaat en zelfs maaltijden verkopen. Het is even topdrukte in het lieflijke stadje, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Auto’s zijn er nauwelijks. Mensen lopen, nemen een fietstaxi of de brommer. Langs de straatjes liggen kleine winkels die aan ouderwetse kruideniers doen denken. Een man laat een geitje uit dat knabbelt van het gras vlakbij struiken bougainville en hibiscus.

Een steegje leidt naar ons pension Vita, waar de thee klaar staat en ’s ochtends pannenkoeken met nootmuskaatjam worden geserveerd. De tuin met palmen grenst aan de haven. Het uitzicht is fenomenaal. Aan de overkant ligt de weelderig begroeide Gunung Api – de majestueuze vulkaan die de natuurlijke skyline van Banda domineert. De archipel, die zeven eilandjes omvat, valt onder de provincie Maluku (Molukken). Vroeger was het de enige plek ter wereld waar nootmuskaat groeide, de kostbare specerij die de archipel noodlottig zou worden.

Herinneringen aan het verleden zijn overal tastbaar. Het strak gerenoveerde Fort Belgica steekt boven het stadje uit. Bezichtiging van de bijna vierhonderd jaar oude vesting met ronde torens is niet mogelijk. Het hek zit met een hangslot dicht. Aan de voet van de helling ligt een volgende vesting. Het geluid van het stadje verstomt in de metersdiepe poort van Fort Nassau. Er staan alleen nog wat stukken muur overeind waarin planten, struiken en zelfs boompjes groeien die met hun wortels de vesting verder verpulveren.

Het was admiraal Pieter Willemszoon Verhoeff die in 1609 uit boosheid met de bouw van het fort begon, toen het hem niet lukte de opdracht van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) uit te voeren om Banda in bezit te krijgen, zodat de handelsmaatschappij het monopolie op de lucratieve nootmuskaathandel zou hebben. Uiteindelijk lokten de Bandanezen hem in een hinderlaag, waarbij de admiraal met bijna dertig mannen werd afgemaakt. Onder de ooggetuigen bevond zich Jan Pieterszoon Coen, die in 1621 als gouverneur-generaal van de VOC met een oorlogsvloot naar Banda zeilde om de archipel te onderwerpen.

Om een idee te krijgen van de plek waar zware gevechten plaatsvonden, varen we met een motorbootje naar het grootste nootmuskaateiland, Lonthoir, dat als belangrijke prooi gold. Het eerste dat opvalt, is de weldadige rust die er heerst. Dorpsbewoners die niet aan het werk zijn, scharrelen bij hun huisjes met aangeveegde erven. Langs de enige asfaltweg van het eiland staat opeens een prachtige poort met gebeeldhouwde krullen waarboven we de letters VOC lezen.

De meeste nootmuskaatplantages liggen in de heuvels. Na een pittige klim over glibberige paden staan we bezweet tussen immense kenaribomen. Als parasols bieden deze woudreuzen schaduw aan de nootmuskaatbomen, die perzikachtige vruchten dragen waarin een harde schaal met een felrood vliesje, de foelie, schuilt. Daarbinnen geurt de nootmuskaat. Zo vreedzaam als het nu lijkt, zo gewelddadig was het toen. Bewapend met geweren en zwaarden kamden VOC-soldaten het eiland uit. Mannen, vrouwen en kinderen werden afgeslacht. Binnen enkele weken had de VOC het grootste deel van het gebied onder controle.

Tegenwoordig staat er bij Fort Nassau op Banda-Neira een monument om de slachtoffers van het kolonialisme te herdenken. Een plakkaat vermeldt dat tijdens de strijd met de VOC van 1602 tot 1621 maar liefst zesduizend Bandanezen werden gedood, 789 mensen als slaven gedeporteerd, terwijl 1.700 overlevenden wisten te ontkomen. Nadat Coen en zijn troepen de bevolking nagenoeg hadden uitgemoord, werd de grond van de ontvolkte eilanden verdeeld onder VOC-dienaren. Slaven moesten het zware werk doen. Na verloop van tijd wisten de perkeniers, zoals de plantagehouders genoemd werden, zich op te werken tot rijke ondernemers die statige stadsvilla’s lieten bouwen. In Banda-Neira staan zoveel perkenierswoningen dat de koloniale sfeer nog altijd voelbaar is. Met hun veranda’s en pilaren maken de – veelal onbewoonde – panden een voorname indruk. Ook het oude gouverneursgebouw is er nog. De deuren staan open, maar in de lege vertrekken met gelakte hoge plafonds is niemand te bekennen. In de zijtuin staat het eenzame borstbeeld van Willem III.

Hoewel de Banda-archipel met al die monumenten een openluchtmuseum van de koloniale tijd lijkt, kijkt de Nederlandse ambassade in Jakarta niet naar het erfgoed om. Investeren in gebouwen die leeg staan, zou geen zin hebben. Het was de Bandanese zakenman en ex-diplomaat Des Alwi (81) die het restaureren op zich nam. De ‘Koning van Banda’, zoals zijn bijnaam luidt, woont in Jakarta maar verblijft regelmatig op zijn geboorte-eiland. Via zijn uitstekende netwerk wist hij genoeg geld bijeen te krijgen voor de renovatie van 27 gebouwen, die soms helemaal opnieuw gebouwd moesten worden. Voor het opknappen van Fort Belgica kreeg hij naar eigen zeggen 250.000 dollar van ex-legercommandant Benny Murdani. „Toen de restauratie klaar was, hebben we alle munitie verzameld, in oude kanonnen gedaan en afgevuurd. De knal was gigantisch”, glimlacht Des Alwi, terwijl hij geniet van een buffet met verse tonijn in zijn hotel Maulana. Het hotel ligt er verwaarloosd bij. Maar ooit, vertelt hij, logeerden er internationale vips als Mick Jagger, prinses Diana en prins Bernhard. Vanwege de slechte bereikbaarheid, klaagt Des Alwi, komen er echter nauwelijks toeristen naar Banda. „Voorheen waren er wel zes vluchten per week. Nu lukt het vaak niet eens om één keer vanuit Ambon te vliegen.”

Des Alwi groeide op in de koloniale tijd en kwam veel over de vloer bij Mohammed Hatta en Sutan Sjahrir, de onafhankelijkheidsstrijders die in 1936 door het Nederlandse bewind naar Banda werden verbannen. Om de sleur van het ballingenbestaan te doorbreken, gaven de twee nationalisten les aan een groepje kinderen, onder wie Des Alwi. Uit eerbetoon liet Des Alwi het huis waar Hatta woonde opbouwen. De woning heeft een ingerichte zitkamer, kantoor en slaapkamer met hemelbed. Op de binnenplaats is het schooltje met lessenaren en een schoolbord nagebootst. Sjahrir verbleef in een elegante woning van de familie van Des Alwi.

Het valt niet direct op, maar de Molukse burgeroorlog tussen christenen en moslims die op 19 januari 1999 op Ambon losbarstte, trof ook Banda. In april 1999 openden woedende moslims de aanval op de christelijke minderheid. „We hebben 420 christenen naar het hotel gehaald. Ze zaten met tien à vijftien mensen op een kamer. Voor het eerst was het hotel volgeboekt”, vertelt Des Alwi. De zakenman belde naar eigen zeggen de marine, die twee korvetten stuurde om de bedreigde christenen van Banda te halen. Eén gezin werd bijzonder zwaar getroffen. Pongky van den Broeke overleefde de aanvallen met zijn dochter en zwaargewonde zoon. Maar zijn moeder, echtgenote, tante en twee dochtertjes werden met kapmessen gedood. Toch kwam Van den Broeke na het drama terug, bekeerde zich tot de islam en trouwde opnieuw. De rest van de verdreven christenen bleef weg en wacht op een terugkeerovereenkomst. In hun afwezigheid raakte de christelijke begraafplaats met Molukse en oude Hollandse graven overwoekerd.

Tijdens de burgeroorlog gingen ook huizen en kerken in vlammen op. Het interieur van het Hollandse kerkje werd volledig verwoest. Inmiddels is het met geld van de Indonesische regering hersteld. Maar de nieuwe banken voelen ruw aan – er zijn geen kerkgangers meer die het hout met hun handen glad wrijven. Op de vloer liggen oude grafplaten met namen van Hollanders als Coopman Willem Adriaan van Weely, die in 1727 stierf.

Voor vertrek lukt het nog net om naar de vulkaan te varen waar nieuw koraal is gegroeid op lava dat na de laatste uitbarsting in zee stroomde. Al snorkelend zien we vissen in de meest schitterende kleuren en vormen. Het is schrikken als een giftige zwart-witte zeeslang over de bodem kronkelt. Het koraal wuift en pronkt. Volgens kenners kan Banda zich als duiklocatie met de top van Azië meten.

De volgende ochtend klinkt de scheepshoorn. Als het passagiersschip op volle zee is, zien we immense fonteinen in de verte. „Walvissen!”, roept een toerist opgetogen. „Misschien wel meer dan vier.”

De auteur schreef het boek ‘Het verdriet van Ambon. Een geschiedenis van de Molukken’, Balans, 2008)