Veertig kilometer eenzaamheid

Murakami’s marathonboek is het kopje op de golf van hardloop-non-fictie die ons overspoelt. Maar geven romans en verhalen de loopervaring niet beter weer? En wat is het beste rennersboek?

Haruki Murakami: Waarover ik praat als ik over hardlopen praat. Vertaald door Luk Van Haute. Atlas, 206 blz. € 18,50

Het was altijd een heel simpele regel: een non-fictie sportboek van een bekend schrijver is vooral interessant als je zelf die sport beoefent óf als je een groot fan bent van de auteur. Of beide natuurlijk. Maar nu ben ik op een uitzondering gestuit. Ik loop marathons én ik ben dol op de romans en verhalen van de voormalige cultschrijver Haruki Murakami. Toch heb ik aan zijn nieuwste boek, Waarover ik praat als ik over hardlopen praat, weinig plezier beleefd.

Dat laatste hoeft niet te verwonderen. Waarover ik praat als ik over hardlopen praat – de titel verwijst naar een bundel van Murakami’s favoriete korteverhalenschrijver Raymond Carver – is in veel opzichten een gelegenheidswerkje. Murakami heeft er naar eigen zeggen iets meer dan een jaar aan geschreven en spreekt van ‘memoires, met het hardlopen als centraal gegeven’, maar dat is te veel gezegd. Veel meer dan dat hij docent en fanatiek marathonloper is – en dat hij als succesrijk bareigenaar op 1 april 1978 besloot om romanschrijver te worden (tijdens een honkbalwedstrijd) – kom je over de persoon Murakami niet te weten. Of het moest zijn dat hij een teruggetrokken leven leidt, en dat hij vlijt, geduld en krachtdadigheid als zijn enige verdiensten beschouwt: ‘Om het in paardentaal te zeggen: ik ben eerder een werkpaard dan een renpaard.’

Wat Murakami wel vertelt in Waarover ik praat, is hoe hij loopt, waar hij loopt, hoeveel hij loopt, met welke muziek hij loopt, waarom hij loopt. En vooral dat hij ‘wat betreft het schrijven van romans [veel heeft] geleerd door dagelijks te hardlopen’. Immers, voor beide heb je talent, concentratievermogen en uithoudingsvermogen nodig. Marathons lopen is bovendien net als romanschrijven geen bezigheid voor iedereen: ‘Ik ben geen schrijver geworden omdat iemand me dat heeft aangeraden’, noteert Murakami. ‘Net zo min worden mensen hardlopers omdat het hun door iemand wordt aangeraden. Mensen worden in principe hardlopers omdat het zo moest zijn.’ En net als voor een schrijver is ‘de belangrijkste graadmeter voor een langeafstandloper: kan ik aan de finish trots op mezelf zijn?’

Hemelschokkend is het allemaal niet. ‘Laat ik gewoon eerlijk opschrijven wat ik voel en denk, zoals het in me opkomt en in mijn eigen stijl’, zegt Murakami aan het begin van zijn boek, dat je kunt omschrijven als het kopje van de golf hardloopboeken die de afgelopen anderhalf jaar in Nederland zijn uitgekomen. De charmant-naïeve verteltoon van succesromans als Norwegian Wood en Ten zuiden van de grens is in aanleg aanwezig, maar wordt overdreven, zodat er bij vlagen een koket kind aan het woord lijkt. Veel van Murakami’s schijnbaar diepzinnige uitspraken vallen bij nader inzien een beetje tegen: ‘je energietank op een min of meer doeltreffende manier opgebruiken, dat is de essentie van hardlopen en het is tevens een metafoor voor het leven’; ‘om echt ongezonde dingen aan te pakken moet een mens zo gezond mogelijk zijn;’ ‘op de snelweg van het leven kun je niet altijd in de inhaalstrook zitten’. Soms is het alsof Chance Gardener (uit Jerzy Kosinksi’s Being There) is teruggekeerd op aarde en zijn wijsheden put uit het marathontraject in plaats van de achtertuin.

‘Er zijn niet zo veel schrijvers die marathons lopen’, zegt Murakami. Misschien heeft hij gelijk, maar dat is dan in een snel tempo aan het veranderen, en zeker in Nederland ligt de kopgroep al aardig op schema. Het literaire hardlooptijdschrift 42 (onder redactie van thrillerschrijver Jac Toes) mag dan alweer ter ziele zijn, de vaste medewerkers Abdelkader Benali en Dirk van Weelden hebben nog niet opgegeven. Benali, die geen prijs stelt op de benaming schrijvende hardloper (‘Ik ben een schrijver. En ik ben hardloper. Ik ben het nooit alle twee tegelijk’), analyseerde bijvoorbeeld in Marathonloper (2007) de psychologie en de eenzaamheid van de langeafstandsrenner; Van Weelden publiceerde Looptijd (2005) als de uitkomst van ‘een jaar lang hardlopen en schrijven, een schrijvend leven leiden en daarbij je hardlopende lichaam als personage kiezen’; en hij bundelde in het binnenkort in midprice herdrukte Tempo (2007) losse stukken over ‘landschappen, schoenen, helden, hartslagmeters’.

Helemaal overtuigen dit soort hardloopboeken niet. Net als bij Murakami liggen de navelstaarderij, de mooischrijverij en de ingetrapte open deuren op de loer. Maar liever dát nog dan de zendingsdrang van auteurs als ex-minister Pieter Winsemius (die een paar jaar geleden managementles gaf aan de hand van zijn marathonervaringen) en psychiater Bram Bakker (die samen met Simon van Woerkom vorig jaar het zelfhulpboek Runningtherapie bij De Arbeiderspers publiceerde). En ook een serieuze cultuurhistorische klassieker als De mens als duurloper van Jan Knippenberg (vorig jaar heruitgegeven bij Prometheus) is niet wat de literair geïnteresseerde hardloper zoekt.

Misschien moeten de hoogtepunten van de loopliteratuur ook niet gezocht worden in de non-fictie, maar in de fictie, waar zich zonder twijfel het hardloopequivalent van de klassieke wielerroman De renner van Tim Krabbé verschuilt. Decline and Fall van Evelyn Waugh kwalificeert zich niet, daarvoor speelt hardlopen er een té kleine rol in – al is de scène waarin een kostschooljongen zijn kansen op de eindoverwinning bij de veldloop danig ziet verminderen als hij door het startschot in zijn voet wordt geraakt, onvergetelijk. En ook William Goldmans Marathon Man (beroemd geworden door de verfilming met Laurence Olivier en Dustin Hoffman) is door de aandacht voor thrillerwendingen en kwalijke tandartspraktijken niet de ideale hardlooproman.

Voor sommigen is de beste looproman ooit Once a Runner van de Amerikaan John L. Parker Jr, een dertig jaar oude klassieker over een van de universiteit getrapte atleet die zijn kracht nog één keer wil bewijzen. Maar totdat ik die roman heb gelezen – een vertaling, van Inge Pieters, komt in mei uit bij de Arbeiderspers – zet ik mijn geld op The Loneliness of the Long-Distance Runner van de voormalige angry young man Alan Sillitoe (1928). Het boek, meer een lang verhaal dan een roman, werd precies 50 jaar geleden gepubliceerd en is het zelfportret van een jonge kruimeldief die in een heropvoedingsgesticht ontdekt dat hij een begaafde hardloper is. In krap vijftig pagina’s vertelt hij niet alleen tamelijk humoristisch over zijn korte carrière als winkeldief (‘running had always been made much of in our family, especially running away from the police’) maar ook over zijn non-conformistische idealen. Zo weigert hij een race te winnen waarin hij verreweg de sterkste is, alleen maar omdat dat door de autoriteiten van het gevangeniswezen van hem verwacht wordt.

Winnen hoeft van deze Colin Smith niet per se, maar hij geeft wel hoog op van ‘het genot om een langeafstandloper te zijn, lekker in je eentje in de vrije wereld zonder iemand in je buurt die je humeur bederft of je de wet voorschrijft’. Hardlopen geeft hem een helder hoofd en zet hem zo druk aan het denken dat hij vergeet dat hij aan het rennen is. Wat hém tot een onvermoeibare loper maakt en óns laat kennismaken met zijn streams of consciousness. De geest van James Joyce en Virginia Woolf is erover vaardig.

En dan, bij het herlezen van The Loneliness of the Long-Distance Runner, besef je wat voor boek je eigenlijk het liefst van Haruki Murakami had gelezen. Geen slappe kenschets van zijn eigen leven als loper en schrijver, maar een roman waarin hardlopen een belangrijke bijrol speelt en die verder naadloos past in de rest van zijn oeuvre. Een marathon in Kyoto die uitloopt op een surrealistische odyssee bijvoorbeeld. Of de hopeloze driehoeksverhouding van twee eigenzinnige ultralopers en een even labiel als beeldschoon meisje. Pas dan kan hij, zoals hij het in Waarover ik praat als ik over hardlopen praat formuleert, ‘aan de finish trots op mezelf zijn’.