Limburgse 'rommel' in ere hersteld

De oude mijnplaats Brunssum heeft vanaf vandaag het grootste beschermd gezicht van Nederland. Het is „de kraamkamer van de sociale woningbouw”.

De Egge in Brunssum is een van de voormalige mijnwerkerskoloniën die vanmiddag door minister Plasterk als beschermd stadsgezicht wordt aangewezen. Foto Chris Keulen Nederland, Brunssum, 19.01.2009 Voormalige mijnkolonie De Egge in Brunssum, beschermd stadsgezicht. De mijnkolonien waren de woonwijken van de mijnwerker. Vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw ontstonden er groene, intieme wijken met ambachtelijke, decoratieve architectuur grootschalig opgepakt door de woningbouw-verenigingen, die speciaal voor de huisvesting van mijnpersoneel waren opgericht. foto: Chris Keulen
De Egge in Brunssum is een van de voormalige mijnwerkerskoloniën die vanmiddag door minister Plasterk als beschermd stadsgezicht wordt aangewezen. Foto Chris Keulen Nederland, Brunssum, 19.01.2009 Voormalige mijnkolonie De Egge in Brunssum, beschermd stadsgezicht. De mijnkolonien waren de woonwijken van de mijnwerker. Vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw ontstonden er groene, intieme wijken met ambachtelijke, decoratieve architectuur grootschalig opgepakt door de woningbouw-verenigingen, die speciaal voor de huisvesting van mijnpersoneel waren opgericht. foto: Chris Keulen Keulen, Chris

Rijd door Belgisch Limburg of het Duitse Ruhrgebied en het mijnverleden is nog behoorlijk zichtbaar. Maak een tocht door Zuid-Limburg en alleen de kenner herkent nog de sporen van de steenkolenwinning. In 1965 kondigde minister van Economische Zaken Joop den Uyl in Heerlen de mijnsluitingen aan. Tien jaar later werd de laatste delfstof gewonnen. Met vanuit Den Haag gesteunde plannen moest de plaatselijke economie opnieuw haar draai vinden. Autoriteiten bulldozerden over sentimenten heen. ‘Van zwart naar groen’, luidde het devies. Heerlen met omgeving gaat daarom niet meer door het leven als de Oostelijke Mijnstreek maar als Parkstad.

Met de in de eerste helft van de vorige eeuw neergezette wijken voor mijnwerkers en -beambten was het bijna net zo gegaan. ‘Brick d’r auwe kraom doch aaf!’ (breek die ouwe rommel toch af), zeiden sommigen. Zulke rigoureuze ingrepen stuitten op al te veel tegenstand. Mensen woonden er met te veel plezier: sfeervol en omgeven door veel groen. Helemaal ongeschonden bleven de huizen echter niet: sommige huizen kregen grote doorzonramen in plaats van de oorspronkelijke ruiten met roedes. Bij veel huizen ontstond een wildgroei aan op- en aanbouw.

Door de aanwijzing tot beschermd gebied van vijf mijnkoloniën met zo’n 3.000 woningen en een tweetal parken in Brunssum door cultuurminister Ronald Plasterk vanmiddag kunnen zulke inbreuken in de toekomst voorkomen worden, denkt wethouder Eric Geurts (PvdA, Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting). „Wat daarbij helpt, is dat er de laatste jaren weer een trots op het oude mijnverleden terugkomt.”

De mijnwerkerszoon Geurts was een peuter toen de laatste bedrijven sloten. De nieuwe trots betekent volgens hem niet dat de gemeente alles gedaan kan krijgen. Wijken tot openluchtmuseum verklaren is de foute weg. Er moet rekening worden gehouden met de bewoners. Zo wordt elke verbouwing binnen het beschermd gezicht vanaf nu weliswaar vergunningplichtig, maar liggen er voor aanbouwen en dakkapellen tekeningen klaar die in lijn zijn met de diverse bouwstijlen en die op goedkeuring kunnen rekenen.

De weinig passende portiekflats in de monumentale buurt Treebeek verdwijnen. „In verband met de bevolkingskrimp moet hier gesloopt worden. Dat gaan we dus daar doen.”

Brunssum was begin vorige eeuw een snelgroeiende plaats. Na het opengaan van de mijn Hendrik in 1911 vertienvoudigde de bevolking in een paar decennia. Het personeel werd toen provisorisch gehuisvest: in keten en in pensions. De woningnood was enorm.

Rond 1918 verrezen in Brunssum de eerste woningwetwoningen. In 1923 volgde een groter gebaar, het eerste streekplan van Nederland: het Gewestelijk Plan voor de Sociaal-Hygiënische Toestanden in de Mijnstreek. „Eigenlijk was dit de kraamkamer van de sociale woningbouw in Nederland”, zegt architectuurhistoricus Michel Habets. „Van ver in het buitenland kwamen ze hier kijken. Arbeiderswijken die later in steden als Tilburg, Eindhoven en Enschede werden gebouwd, zijn gebaseerd op de koloniën hier.”

Belangrijke inspiratiebronnen voor de buurten in Brunssum waren de Engelse tuindorpen. De uitwerking hing af van de opdrachtgever: ontwerpers die werkten voor de Staatsmijnen kwamen met grootschalige stedebouwkundige concepten waar Treebeek nog de sporen van draagt, in opdracht van de katholieke woningcorporatie Ons Limburg werden nieuwe kleine dorpjes geschapen. Habets: „In alle buurten was de sociale controle sowieso groot. Elke maand kwam er een inspecteur langs om te kijken of mensen de zaak op orde hielden. Tegelijk werden de mensen in de watten gelegd. In de Mijnstreek bestond de verzorgingsstaat al in de jaren dertig.”

Het verklaart, denkt wethouder Geurts, een deel van de nostalgische gevoelens. „Naar het ondergrondse werk verlangen weinig mensen terug. Wel naar het gemeenschapsgevoel.”

De aanwijzing van een groot deel van Brunssum tot beschermd gezicht opent geen nieuwe subsidiepotten. „Was het maar waar”, zegt Geurts in eerste instantie, om zich dan te bedenken. „Misschien is het ook maar goed zo. Limburg heeft te lang alleen naar Den Haag gekeken. We moeten uitgaan van eigen trots en eigen kunnen.”