Vrouwen schaken net zo goed als mannen, alleen niet zo vaak

Schaakster Judith Polgar, eenzaam aan de top. foto leo van velzen
Schaakster Judith Polgar, eenzaam aan de top. foto leo van velzen Veldhuys, Willem ten

Waarom zijn er zo weinig vrouwelijke Nobelprijswinnaars of schaakgrootmeesters? Zijn vrouwen soms minder goed in wetenschappelijk onderzoek of in schaken? Nee. Volgens Merim Bilalic van de universiteit van Oxford en zijn collega’s ligt het aan de statistiek: er zijn eenvoudigweg méér mannen die zich met wetenschap of schaken bezig houden, en daarom is de kans groter dat er zich onder hen exceptioneel goede vertegenwoordigers bevinden (Proceedings of the Royal Society B, 24 december).

De president van de universiteit van Harvard, Lawrence Summers, beweerde in 2005 dat aangeboren verschillen tussen mannen en vrouwen ervoor verantwoordelijk zijn dat zo weinig succesvolle wetenschappers en ingenieurs vrouw zijn. De opwinding die over zijn uitspraken ontstond kostte hem een jaar later de kop, maar zijn opvatting wordt breed gedeeld. Nu hebben wetenschappelijke onderzoekers geen duidelijk kwaliteitsmerk, maar schakers wel, de ELO-rating. Daarmee sloeg Bilalic aan het rekenen, uitgaande van de lijst van schakers zoals die door de Duitse schaakfederatie wordt bijgehouden: meer dan honderdtienduizend mannen en zevenduizend vrouwen. Hij zag dat de gemiddelde ELO-rating en de standaarddeviatie daarin bij mannen en vrouwen hetzelfde waren. Hij kon met groepsgrootte vrijwel het hele man-vrouwverschil verklaren.

Grote vraag is dan waarom er minder vrouwen schaken. Dat zou nog steeds kunnen komen doordat vrouwen er gewoon minder goed in zijn. Bilalic vond echter dat de uitval onder jongens en meisjes die met schaken zijn begonnen even groot is. Dus moet de verklaring zijn dat er minder meisjes beginnen met schaken. En dat is vast toe te schrijven aan culturele verschillen: schaken wordt als een mannensport gezien, of meisjes krijgen van jongs af aan te horen dat ze het nu eenmaal toch niet kunnen.

Rob van den Berg