Van alle falende presidenten was George W. de machtigste

Er zijn weinig slechte Amerikaanse presidenten geweest sinds 1933, maar Bush is een waarschuwing: falen heeft catastrofale gevolgen.

(Tekening Nerilicon © CagleCartoons)
(Tekening Nerilicon © CagleCartoons) CagleCartoons

Hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Hoewel sommigen zullen beweren dat de geschiedenis gunstig over George W. Bush zal oordelen, twijfelen de meeste historici hieraan. Maar liefst 61 procent van professionele historici vond tijdens een recente History News Network poll dat George Bush de slechtste president was die Amerika ooit had gekend en 98 procent was ervan overtuigd dat zijn presidentschap een mislukking was.

Historici staan niet bekend om hun conservatieve politieke standpunten en het kan zijn dat ze een paar succesverhalen over het hoofd hebben gezien: schoolhervormingen waardoor de testscores van Amerikaanse kinderen – ook kinderen uit achterstandsgezinnen – weer omhoog zijn gegaan, een grote anti-aidscampagne in Afrika, het verwijderen van de Iraakse dictator Sadam Hussein en het voorkomen van andere terreuraanvallen op Amerikaanse bodem (deze doelstelling zal ook voor Barack Obama het belangrijkste onderdeel zijn van de strijd tegen terreur). Is het mogelijk dat hij werkelijk de minst geslaagde president was van de 42 presidenten die Amerika tot nu toe hebben geleid?

De Verenigde Staten hebben veel slechte presidenten gekend. James Buchanan (1857-1861) wilde niet duidelijk stelling nemen, toen zuidelijke staten zich wilden afscheiden van de noordelijke en slaagde er niet in de Verenigde Staten bijeen te houden. Een recente biografie suggereert zelfs dat hij partij koos voor het zuiden en de afscheiding bevorderde, waardoor een burgeroorlog ontstond die uiteindelijk 600.000 Amerikanen het leven zou kosten. De zeer competente generaal Ulysses Grant die de noordelijke staten aan een overwinning hielp en twee termijnen president mocht zijn (1869-1877), bleek ook een van Amerika’s minst competente presidenten te zijn. Zijn regering werd geplaagd door fraude en misbruik, waar hij nauwelijks tegen optrad. Maar Warren Hardings presidentschap (1921-1923) was nog veel erger. Hij gaf eerlijk toe dat hij niet geschikt was voor deze baan en besteedde zijn tijd liever aan kaartspelen, terwijl goede vrienden en ondergeschikten zich onder zijn bescherming konden verrijken via illegale activiteiten.

Volgens veel Amerikanen die staande probeerden te blijven tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig, was Herbert Hoover (1929-1933) de grootste schurk. Hij beloofde iedere Amerikaan een kip in elke pan en een auto in ieders garage, maar toen de economie bergafwaarts ging, verergerde zijn beleid de crisis en weigerde hij steun te verlenen aan noodlijdende Amerikanen. En deze lijst van falende presidenten is nog lang niet volledig. Ook Franklin Pierce (1853-1857) en Andrew Johnson (1865-1869) waren volledig ineffectief. George W. Bush ziet er in vergelijking met hen goed uit.

Wat wel opvalt is hoe weinig slechte Amerikaanse presidenten er zijn geweest sinds 1933, het jaar dat Franklin Roosevelt aantrad – die samen met Washington en Lincoln als een van de beste Amerikaanse presidenten wordt gezien. De Amerikaanse federale overheid werd te belangrijk om in handen te vallen van incompetente leiders.

Natuurlijk waren niet alle presidenten van de laatste 75 jaar zo geweldig. John F. Kennedy was in de ogen van het publiek Camelot, maar de kwaliteit van zijn presidentschap viel tegen. En ook Lyndon Johnson en Richard Nixon werden, terecht, fel gekritiseerd. Beiden waren uitstekende politici die grote prestaties wisten neer te zetten, maar beide presidentschappen eindigden rampzalig; Johnson vanwege de slepende Vietnamoorlog en Nixon vanwege het Watergateschandaal.

Ook Jimmy Carter – die zich met alle details wilde bemoeien – was niet populair. Het vertrouwen van Amerikanen in Carter was op een gegeven moment zelfs gedaald tot 23 procent, lager nog dan het dieptepunt van 27 procent tijdens het presidentschap van Bush jr.

Maar toch heeft de vestiging van de Verenigde Staten als supermacht in de internationale arena en de expansie van binnenlandse overheidsdiensten ervoor gezorgd dat er geen genoegen meer werd genomen met een middelmatige president. Truman, Eisenhower en Reagan waren krachtige presidenten en ook Ford, Bush Sr. en Clinton dwongen respect af.

Maar in de jaren negentig scheen Amerika het rustiger aan te kunnen doen. Door het einde van de Koude Oorlog leek Amerika te zijn overgebleven als enige en onoverwinnelijke supermacht. Ook op binnenlands gebied waren er weinig uitdagingen. Reagan was in de jaren tachtig begonnen met belastingverlagingen en Bill Clinton hield zich samen met het Republikeinse Huis van Afgevaardigden bezig met het omvormen en inperken van het Amerikaanse sociale zekerheidsstelsel. Deregulering was al jarenlang een mantra voordat George W. Bush president werd. En hoewel de Verenigde Staten geconfronteerd werden met serieuze problemen, zoals gezondheidszorg en klimaatverandering, was het land diep verdeeld door culture wars en ontbrak een gedeelde visie op de taken die de Verenigde Staten op zich moesten nemen.

Het Amerika van de jaren negentig leek een beetje op het Amerika van de jaren twintig. Het was teruggegaan naar de dagen van Warren Harding en zijn opvolger Calvin Coolidge (1923-1929) die – hoewel hij een betere president was dan Harding – geen grote rol zag weggelegd voor de Amerikaanse president in binnen- of buitenlands beleid. Het was in deze context dat Bush jr. ternauwernood werd verheven tot president van de Verenigde Staten, genomineerd door een partij die zich meer liet leiden door het beeld van de ‘gewone Amerikaanse man’ dan door zijn competenties, ervaring en leidinggevende kwaliteiten.

‘Nine Eleven’ en de crises in de 21e eeuw deden dit gevoel van genoegzaamheid als sneeuw voor de zon verdwijnen, vooral op het gebied van buitenlands beleid en veiligheid. De terroristische aanvallen gaven energie en focus aan de regering-Bush en transformeerden zijn presidentschap tot een imperiale regering, waarin hij grote macht en invloed naar zich toetrok.

Maar hoewel de uitdagingen van deze eeuw het beeld van het presidentschap transformeerden, was het dezelfde man die daar uitvoering aan gaf. Zijn foute inschattingen en misbruik van presidentiële macht aan de ene kant en zijn luchthartige veronachtzaming van binnenlandse crises zoals de orkaan Katrina en het gebrek aan toezicht op de financiële markt aan de andere kant, worden deze president – die in de jaren twintig misschien nog mild beoordeeld zou worden – nu zwaar aangerekend. Presidenten van het moderne Amerika mogen niet meer ernstig falen, want hun misstappen hebben catastrofale gevolgen op het wereldtoneel.

Er is veel vertrouwen dat Obama, wiens succes deels te danken is aan de crises van het tijdperk Bush, het presidentschap weer in ere zal herstellen. De historie leert dat crises (zoals de Grote Depressie van de jaren dertig) Amerikanen ertoe hebben aangezet om hun stem uit te brengen op inspirerende kandidaten en gekozen presidenten hebben gestimuleerd tot grote prestaties (zoals Franklin Roosevelt).

Het presidentschap van Bush is ook een waarschuwing: falen mag niet meer. Het is dus nog lang niet zeker dat toekomstige historici positief zullen oordelen over het presidentschap van Obama.