'Schaken is wreed, je moet voor bloed gaan'

Levon Aronian (26) speelt in het Corus schaaktoernooi dat vandaag in Wijk aan Zee begint. In de prognose wordt de grootmeester weinig genoemd. Vreemd, want de afgelopen twee jaar werd hij gedeeld eerste.

Levon Aronian: 'Mijn drijfveer om wereldkampioen te worden, komt alleen voort uit mijn wens om iets te doen voor mijn land, mijn volk.' (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) wijk aan zee schaak grootmeester aronyan foto rien zilvold
Levon Aronian: 'Mijn drijfveer om wereldkampioen te worden, komt alleen voort uit mijn wens om iets te doen voor mijn land, mijn volk.' (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) wijk aan zee schaak grootmeester aronyan foto rien zilvold Zilvold, Rien

Een nieuwe jas en een echte Stetson-hoed waar hij behoorlijk trots op is. Meer is het niet dit keer. Vorig jaar had hij meer tijd om inkopen te doen. Toen bracht Levon Aronian een nieuwe garderobe mee naar Wijk aan Zee waarmee hij zo in een film uit de jaren dertig van de vorige eeuw had kunnen spelen. Een deel van die pakken en dassen heeft hij nu ook bij zich, maar de Italiaanse hoed waarmee hij zich toen tegen de wind beschermde, is thuis gebleven.

Schakers staan er niet om bekend dat ze veel aandacht aan hun kleding schenken. Voor de 26-jarige Armeniër ligt dat anders. Hij geniet ervan om zich voor een partij te kleden, ook al haast hij zich om duidelijk te maken dat hij geen zonderling is en dat hij ook wel begrijpt dat een goede voorbereiding nog belangrijker is. „Maar ik ben ook tot de conclusie gekomen dat je niet alleen met je spel indruk moet maken. Je kleding moet in overeenstemming zijn met het belang van het toernooi.”

Aan kledingadviseurs heeft hij geen gebrek. Zijn ouders en zijn zus, met wie hij in 2001 naar Berlijn verhuisde, geven hun mening, maar ook zijn zwager en uiteraard zijn vriendin. Het is een democratisch proces, vertelt hij op het ironische toontje dat hij zo graag hanteert. „Er moet een quorum zijn, en als er een quorum is volgt er een geheime stemming.”

Even is hij stil en dan komt het gierende lachje waar hij ook patent op heeft. Net als zijn vader houdt hij van onzinverhalen en hij geniet ervan om mensen op het verkeerde been te zetten. Veel kwaad ziet hij daar niet in. „Ik ben graag onder de mensen en dan haal ik graag grappen uit. Misschien hang ik tegenwoordig minder de pias uit, maar met oude vrienden bestaat de hele conversatie uit grappen en onzin.”

Aronian is een man van stemmingen en daar horen die kleren ook bij. Die stemmingen bepalen of hij iets ongewoons speelt of dat hij probeert zo efficiënt mogelijk te winnen met een idee dat hij thuis heeft voorbereid. Terwijl hij zich omkleedt voor een partij probeert hij zijn stemming te beïnvloeden met muziek. „Het kan klassieke muziek zijn, of, omdat ik het zo voel, volksmuziek. Maar meestal is het jazz. Met fusion of free style jazz probeer ik mezelf in een creatieve bui te krijgen. De laatste tijd is het veel Miles Davis, ik heb een grote verzameling, en natuurlijk Coltrane.”

Die muziek neemt hij ook mee naar het bord. „Tijdens de partij zit ik in mijn hoofd stukken voor mezelf te fluiten en ik fluit ze ook wel hardop wanneer ik even ga rondlopen. Maar natuurlijk zo dat niemand er last van heeft.”

Muziek was vanaf zijn jongste jaren zijn grote passie. „Ik was gek op muziek. Als mijn ouders me in slaap wilden krijgen, moesten ze voor me zingen of een plaat opzetten. Daarom ken ik alle klassieke muziek van buiten.”

Een andere passie was het schaakbord dat ze in huis hadden, waarop hij damde. „Mijn grootvader probeerde me schaken te leren toen ik zes was, maar op de een of andere manier had ik er geen zin in.” Uiteindelijk was het, net als bij Bobby Fischer, zijn oudere zus die hem leerde schaken. Hij was toen negen en haar voornaamste drijfveer was dat hij dan op zou houden haar te pesten. „We waren toen grote vijanden. Zij was zes jaar ouder en ze werd helemaal gek van me. Soms verstopte ze zich in de appelboom achter het huis van mijn grootvader en kwam daar twee uur niet uit.”

Haar lessen hadden grote gevolgen. Aronian bleek een uitzonderlijk talent te zijn. Drie jaar later werd hij jeugdwereldkampioen onder de twaalf jaar. Zeven jaar later werd hij ook jeugdwereldkampioen in de hoogste categorie. Zijn definitieve doorbraak volgde in 2005. Hij won het World-Cuptoernooi in Khanty-Mansiysk en rukte op naar de vijfde plaats op de wereldranglijst. Sindsdien heeft hij zich met verve in de wereldtop gehandhaafd, met een derde plaats als hoogste klassering.

Het afgelopen jaar was er een om tevreden over te zijn. Een kleine twaalf maanden geleden deelde hij met Magnus Carlsen de hoofdprijs in Wijk aan Zee, hij won met opmerkelijk gemak het Grand Prix toernooi in Sotsji, en in het rapid- en blindtoernooi in Nice was hij ongenaakbaar. Na 22 ronden had Aronian een voorsprong van maar liefst tweeënhalve punt op Kramnik, Leko, Topalov en Carlsen.

Maar al die successen verbleken voor hem bij het hoogtepunt van het jaar: de gouden medaille die het Armeense team won bij de Olympiade in Dresden. Net als twee jaar eerder in Turijn leverde Armenië een onwaarschijnlijke teamprestatie. Hoewel ze slechts als negende geplaatst waren, stevenden ze met Aronian op het eerste bord vastberaden op de overwinning af. De vreugde was enorm en hij geniet er opnieuw van wanneer hij vertelt over de ontvangst van het team in Jerevan. „Toen we aankwamen was er een groot feest op straat. We werden enorm gefêteerd en hadden geen tijd om samen iets te gaan drinken. We gingen bij alle televisiestations langs en er was een receptie. De president was er en iedereen van de intellectuele en de politieke elite. Sos Sargsyan, onze beroemdste acteur, was er ook. Hij is een wijs man en was enorm sympathiek tegenover me. Daar was ik erg door geroerd.”

Hij valt stil en wil pas na enig aandringen vertellen waarmee Sargsyan hem ontroerde. „Hij zei dat ik het moest doen, dat ik mijn land gelukkig moest maken. Dat ik ervoor moest gaan. Voor het wereldkampioenschap.” Hij zwijgt opnieuw en begint dan ineens onverwacht openhartig over het wereldkampioenschap te praten, een onderwerp dat hij gewoonlijk zorgvuldig mijdt.

„We zijn een klein land en hebben op het moment niet veel om gelukkig over te zijn. Het gaat langzaam beter en ik waardeer de inspanningen van onze president, maar toch heb je het gevoel dat het goed zou zijn als je iets voor je land zou doen. Ja, mijn drijfveer om wereldkampioen te worden komt alleen voort uit mijn wens om iets te doen voor mijn land, mijn volk. Dat is geen patriottische blabla. Ik weet dat er veel mensen zijn in Jerevan die iedere partij die ik speel volgen. Die mensen zou ik gelukkig maken. Daarom zou ik het doen. Want zelf ben ik al gelukkig. Ik heb alles waar ik ooit van had kunnen dromen. Ik had niet kunnen dromen dat ik ooit tegen deze monsters zou spelen en ze zou verslaan.”

Met die laatste zin verandert hij zijn toon en gaat dan verder: „Vrijwel iedereen herkent me op straat, zeker 60 procent van de mensen. Maar er gebeuren ook gekke dingen. Pas kwam er een man naar me toe die volgens mij niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Hij feliciteerde me en zei: ‘Trouwens ik kom ook uit de kunstwereld.’ Ik zei: ‘Oh wat goed.’ Waarop hij zei: ‘Ja, ik ben tandartsassistent.’ Maar voordat ik hem nog iets kon vragen was hij weg.”

En hij lacht zijn uitbundige hoge lach, om aan te geven dat hij het niet erg vindt om van onderwerp te veranderen.

Hoewel hij een vaste plaats in de wereldtop heeft verworven en hij nota bene de afgelopen twee jaar twee keer gedeeld eerste werd in het Corustoernooi, komt zijn naam in de vooruitblikken op ‘Wijk aan Zee’ weinig voor. Zelf heeft hij er geen goede verklaring voor. „Misschien omdat ik wat achteruit ben gegaan in rating? Of omdat ze denken dat ik al twee keer heb gewonnen en het niet nog een keer kan? Ik kan me er niet druk over maken. Eigenlijk is het wel prima dat ze me hier niet als favoriet zien, want schaken gaat om iets te bewijzen. Toen we in Dresden op de Olympiade speelden, geloofde ook niemand dat we zouden gaan winnen.”

Misschien wordt Aronian ook weinig genoemd, omdat hij zich publiekelijk bescheiden opstelt. Anders dan spelers als Anand, Kramnik of Topalov doet hij niet vaak uitspraken die de krantenkoppen halen. Des te opmerkelijker was het dan ook, dat hij vorige maand een verontwaardigde open brief publiceerde waarin hij schande sprak van de veranderingen die de wereldschaakbond had aangebracht in de huidige WK-cyclus. Ineens werden er privileges gecreëerd voor een klein groepje spelers en werd zijn overwinning in de Grand Prix minder waard.

Hij vergeleek het met een marathon waarin de deelnemers na twintig kilometer te horen krijgen dat er dit keer geen veertig maar tachtig kilometer wordt gelopen. „Ik was kwaad omdat dit opnieuw gebeurde. Ik ben blij dat veel collega’s mij steunden, maar ik ben bang dat het uiteindelijk weinig zal uithalen.”

Een andere publicatie die stof deed opwaaien, zit hem minder lekker. In een interview in een Duitse krant werd een aantal uitspraken over de vraag waarom vrouwen minder goed schaken nogal compact weergegeven. „Dat was volledig uit zijn verband gerukt. Van wat we bespraken was 80 procent weggegooid, dus vond ik het vervelend om het zo te zien.”

Hij wil het nog wel eens proberen, ook al ziet hij het risico: „Schaken is een wreed spel, je moet voor bloed gaan en daar zijn vrouwen te gevoelig voor. Dat gaat tegen hun natuur in, tenminste in mijn klassieke begrip van vrouwen. In schaken moet je kwaadaardig zijn en erg agressief. Als je verliest, zijn er geen excuses. Daar zijn meisjes te aardig voor. Het wrede van schaken is het verliezen. Toen ik nog in Armenië woonde kon het gebeuren dat ik wist: ‘Als ik de laatste ronde win, heb ik genoeg geld om te leven, maar als ik niet win, zit ik in de schulden’. Dat geeft spanningen waar mannen voorlopig beter aan gewend zijn dan vrouwen.”

Hij prijst zich gelukkig dat die tijd achter hem ligt en dat hij en zijn familie het nu goed hebben. Enig onbehagen voelt hij bij het begin van het Corustoernooi dan ook niet. Hij wil goed spelen en zou het geweldig vinden als hij zo’n sterk toernooi voor de derde keer op rij zou kunnen winnen. „Ik had het er laatst met iemand over en die zei toen: ‘Twee jaar geleden won je samen met twee andere spelers, en vorig jaar samen met Magnus Carlsen.’ Het lijkt er dus wel op dat ik ze aan het afschudden ben.”