Religie maakt na 9/11 de immigrantenstatus nog ingewikkelder

Europeanen herinneren mensen met een andere huidskleur er graag aan dat ze niet van hier zijn. Men vraagt waar ze vandaan komen

(Illustratie Barbara Mulderink)
(Illustratie Barbara Mulderink) Mulderink, Barbara

De auteur is een Afrikaans romanschrijver, afkomstig uit Somalië en woonachtig in Kaapstad. Hij werkt nu aan het derde deel van een trilogie over Somalië. Vandaag wordt zijn roman ‘Kaarten’ behandeld in de Leesclub van NRC Handelsblad.

Laten we er geen doekjes om winden: Europa heeft zich verrijkt over de rug van Afrika – onze hoogopgeleiden zijn weggelokt, onze sterke mannen hebben andermans rijkdom opgebouwd, terwijl wij, in Afrika, dagelijks te maken hebben met de deplorabele gevolgen van de armoede, voor een groot deel het resultaat van ruim honderd jaar kolonialisme, gevolgd door nog een paar decennia van Europese diefstal, de ongeschiktheid van onze leiders en hun corruptie. Ons continent ontbeert nu, tengevolge daarvan, alles wat goed, voornaam en sterk is, alles wat een mens trots maakt. We zijn gereduceerd tot een bedelkom, vastgehouden door de bevende handen van ondervoede baby’s, terwijl onze stoere knapen zich vergaren aan de grenzen van Europa in de hoop de muren van Fort Europa te beklimmen. Het is dan ook geen wonder dat de misleide massa Europa ziet als het Beloofde Land en Europeaan wil worden.

Wat betekent het voor een Somaliër om Nederlands, Brits, Frans, Duits of Zweeds te worden? Verandert het aannemen van een dergelijke identiteit je persoonlijkheid en verstoort het je evenwicht, vooral als je trouw wilt blijven aan je Somalische wortels? Hoe beïnvloedt het feit dat de migranten zich onwelkom voelen hun interactie met de gastgemeenschap?

Bij bushaltes en in de aankomst- en vertrekhal van luchthavens herinneren Europeanen mensen die zich door hun huidskleur of hun kleding onderscheiden er graag aan dat ze niet van hier zijn; velen vragen hun wanneer ze teruggaan en waar ze vandaan komen. Ik zie de toen nog jonge Ivoriaan voor me, nu een oude man, een grootvader, die zich beklaagt over zijn lot en er tegen fulmineert dat hij voortdurend buitengesloten wordt door de grote massa in zijn aangenomen land. Ik kan ook meevoelen met zijn kinderen die terug willen keren naar Afrika, een continent dat zij nauwelijks kennen en waar ze zich echt niet zonder meer thuis zullen voelen. Ik heb de laatste tijd veel Somaliërs en andere Afrikanen ontmoet die zich vestigen op het Afrikaanse continent om euroracisme te vermijden. Met name sinds 9/11 – een waterscheiding voor veel Europese gemeenschappen waar ook moslims wonen – is de situatie in het bijzonder zorgwekkend als je zwart bent en moslim.

Vóór 9/11 maakte religie niet noodzakelijkerwijs deel uit van de huichelpolitiek die in hoge mate bepalend was voor Europa’s houding jegens moslimimmigranten. Ná die tijd maakt religie echter de status van immigranten nog gecompliceerder dan die al was, en verdringt de andere verschillen tussen insiders en outsiders in elke Europese entiteit: de moslims worden gezien en behandeld als ongewenste vreemdelingen, zelfs als ze de nationaliteit van het land hebben. Je kunt rustig zeggen dat Europeanen na 9/11 een inherente discriminatie aan de dag leggen jegens moslims, waar die ook vandaan komen; ze behandelen Afrikanen die zowel zwart als moslim zijn met minachting en bekijken andere moslims met angst en beven. Waar rassendiscriminatie jegens zwarten in deze tijd subtiele vormen kan aannemen, is de manier waarop ze met moslims omgaan zonder meer bot en spottend.

Religie doorsnijdt alle betrekkingen tussen volkeren, tussen culturen en geloven over de hele wereld, en ik heb moslims hartverscheurende verhalen horen vertellen over de behandeling die hun ten deel viel, aangrijpende belevenissen die deden denken aan het antisemitisme in Europa, in het vooroorlogse Duitsland. Dit zet de legale status van insider/outsider nog verder onder druk en maakt die niet alleen heel problematisch maar brengt ook onvoorziene complicaties aan het licht van dubbelhartige aard. Kortom, grote segmenten moslimimmigranten zitten klem tussen twee strijdende groepen, waartoe ze tegelijkertijd ogenschijnlijk behoren: met hun medemoslims delen ze de verbondenheid van het geloof, en met de gastvolkeren te midden van wie zij wonen vele andere banden.

Onlangs heb ik reden gehad mij af te vragen wat het betekent om een discussie te voeren met een fundamentalistische christen in het Amerika van na 9/11. Ik zat in het vliegtuig van Chicago naar Minneapolis, waar ik een vriend wilde gaan opzoeken om een weekend te gaan kanoën op het Lake Superior. Ik zat naast een wedergeboren christen-fundamentalist die mij probeerde te bekeren tot het christendom, en zette mijn geheugen op nul tot mij een toepasselijke wijsheid te binnenschoot, identiek aan degene die hij mij citeerde over zíjn geloof. Het was een islamitische wijsheid van de volgende strekking: iedereen die geboren is na de openbaring van het islamitische geloof zoals onthuld aan de profeet Mohammed, is sui generis een moslim en dus van het geloof. De wijsheid houdt ons verder voor dat het feit dat vele miljoenen het geloof niet beoefenen of dat ze onder de verkeerde invloed vallen van hun onwetende niet-moslimouders die om een drogreden christen, hindoe, boeddhist, animist of wat dan ook ‘worden’, te wijten is aan hun eigen falen, waarvoor ze uiteindelijk gestraft zullen worden in het hiernamaals.

Natuurlijk durfde ik deze islamitische wijsheid niet te delen met mijn wedergeboren gesprekspartner uit angst voor post-9/11-repercussies. Ik heb verhalen gehoord over passagiers aan wie het recht op vliegen ontzegd werd en die uit het vliegtuig gezet werden omdat een medepassagier hen had beschuldigd van verdachte activiteiten. Ik was zo voorzichtig hem niet te vertellen waar ik vandaan kwam en met welk geloof ik geboren was. Evenmin maakte ik hem deelgenoot van mijn stellige overtuiging dat het onpraktisch was een geloof dat men niet in acht nam te verwisselen voor een nieuwe gril die men waarschijnlijk niet zou beoefenen.

Toen ik afscheid nam van de christen-fundamentalist, kon ik nog niet bevroeden dat mij een dreigender geschil van islamitische aard te wachten stond bij mijn aankomst in de Twin Cities, waar een radicale moslim ruzie met me zocht over iets wat ik gezegd zou hebben. Dat hoorde ik van mijn oudste broer, die me van het vliegveld kwam halen en mij vertelde dat hij voortdurend werd lastiggevallen door een sjeik die mij beschuldigde van afkeurenswaardig gedrag. Kennelijk had iets wat ik een week tevoren gezegd had in Minneapolis felle verontwaardiging gewekt bij het islamitische deel van de Somalische gemeenschap in de Twin Cities. Sommigen van hen vonden mijn bewering dat het dragen van de sluier in Somalië een recent verschijnsel is uit de jaren 90, provocerend. Vooral toen ik er, ter illustratie, aan toevoegde dat mijn moeder en de overgrote meerderheid van de Somalische vrouwen geen chador droegen. Daarna had ik me hardop afgevraagd of mijn moeder en de andere vrouwen daardoor hun geloof minderwaardig waren, en dat had bij sommige mensen kwaad bloed gezet.

Ik woonde in Somalië toen de tendens nog overwegend seculier was: het schoolcurriculum was seculier en onze omgangsvormen waren eveneens seculier. Ik herinner mij een land waar de sfeer tolerant was, met Somaliërs die toen veel minder geneigd waren zich te verlaten op de godsdienst als panacee voor de politieke en sociale problemen. In goede en slechte tijden – voornamelijk slechte – rekenden we erop dat de staat, die seculier was, een deel van de verantwoordelijkheden op zich zou nemen. Na de instorting van het staatsbestel en na bijna zestien jaar voortdurend geharrewar, waarin de krijgsheren clanmilities rekruteerden, het land onderling verdeelden en zichzelf een leengoed toe-eigenden dat ze met veel moord en uitbuiting runden, zijn de Somaliërs hun vertrouwen gaan stellen in de islam, die door velen gezien werd als een verenigende kracht.

De aanhangers van de islam-als-oplossing-voor-alle-problemen kregen de overhand in de Somalische politiek; ze zetten islamitische rechtbanken op waarvoor alle onverlaten gedaagd en gevonnist werden volgens de shari’a, in afwezigheid van een functionerende regering. Sommige aanhangers van dit idee verwachtten dat de islam een alternatief zou bieden voor de op clans gebaseerde chaos. En ere wie ere toekomt: even was dat ook zo. In mei 2006 maakte de Islamic Court Union formidabele vorderingen: zij eiste de macht op van de krijgsheren.. Op 26 december 2006 viel Ethiopië, naar verluidt tot steun van de Transitional Federal Government en met de zwijgende goedkeuring van de VS, Somalië binnen. Alles liep echt helemaal uit de hand na deze Ethiopische ‘intravasie’, waarbij de VS raketten afvuurden op een vermeende Al-Qaedabasis in een bos dichtbij de grens met Kenia of op een vermeende schuilplaats van een zogenaamde terrorist. Somalië kwam in het nieuws als de ergste humanitaire ramp ter wereld, erger nog dan die in Darfur.

Terug naar de controverse in de Twin Cities en terug naar mijn oudste broer. Mijn broer liet me weten dat iedereen het er weliswaar over eens was dat mijn bewering dat de sluier deel uitmaakt van een nieuwe gril correct was, maar dat deze sjeik hem had opgevat als opruiend en tweedrachtzaaiend. Ik voelde me eerder verkeerd begrepen dan aangevallen en ik verbaasde me erover hoe lichtgeraakt sommige mensen zijn, en hoe makkelijk een secularist zich de toorn op de hals haalt van een religionist.

Religionisten, van wat voor overtuiging dan ook, laten geen kans onbenut om het hellevuur af te roepen over secularisten in de vaste overtuiging dat deze naar de hel gaan, terwijl henzelf een tête-à-tête te wachten staat in de hemel, compleet met de profeet en de heiligen en het plezierige gezelschap van de Houri’s!

Ik luisterde nog wat naar mijn broer, die nu de felle aanval van de sjeik en zijn vijandige houding analyseerde vanuit het clanperspectief – de clan van de sjeik leefde al sinds het grijze verleden in onmin met de onze, zo zei hij, vanwege de conflicten die beide clans met elkaar hadden gehad over waterbronnen en weilanden.

Ik ben opgehouden mezelf als balling te zien sinds de val van het regime van Siad Barre. Mijn huidige uitwijking naar het buitenland is door mijzelf gekozen. Mijn romans over Somalië bevinden zich op een kruising van wegen; ze gaan over een land dat zowel stateloos als chaotisch is, een land dat is binnengevallen en dat tot slagveld is gemaakt van volmachtoorlogen tussen Ethiopië en Eritrea enerzijds en de Verenigde Staten en strijders van het islamistische geloof anderzijds. Omdat geen enkel land een eenzaam eiland is, hervatte de wereld het contact met Somalië – in allerlei onwettige vormen. Het land bleef al die tijd open voor diegenen die het waagden te betreden. Visa of andere formaliteiten waren niet nodig. Veel durfals kwamen eropaf, alleen of in groepen, om handjeklap te spelen met een van de krijgsheren, meer wapens te verkopen of om het land te gebruiken als een doorvoerstation voor drugs tussen India, Afghanistan, Europa en de VS. In deze periode van isolement tekenden sommige Europese regeringen verdragen met krijgsheren die grote lappen grond beheerden, contracten die het hun mogelijk maakten hun nucleaire afval aan onze kusten te dumpen. Bovendien werden in die jaren jonge Somalische krijgers geronseld om te gaan vechten in Afghanistan of als huurlingen in de grensoorlog tussen Ethiopië en Eritrea.

Toen ik er in juni 2000 naartoe ging, liep ik er minstens tien Oost-Afrikaanse migranten tegen het lijf die in Mogadishu woonden; sommigen van hen gaven Engelse les aan de kinderen van de rijken, sommigen hadden zakenconnecties, anderen runden bioscopen waar Indiase en erotische films vertoond werden. Ondanks de schijnbaar ongestructureerde, chaotische stateloosheid was ik verbaasd te horen dat er Somaliërs bestonden die zo creatief waren om Kungfufilms te produceren voor de lokale markt, in het Somalisch, omdat ze gemerkt hadden dat het moeilijk was die films uit Azië te importeren. Ik heb minstens twee van die plaatselijk gemaakte films gezien, waarvan één in de buurt van het hotel waar ik logeerde.

Tijdens de bezoeken die ik aan Somalië bracht om research te plegen voor mijn romans, ontdekte ik dat Somalië tegelijkertijd de meest geïsoleerde en de meest open maatschappij ter wereld is; een groot deel van de buitenwereld mijdt Somalië, terwijl er steeds meer landen betrokken raken bij de zaken van het land: de Verenigde Naties, de Afrikaanse Unie en de Europese Unie hebben Somalië hoog op de agenda staan.

Omdat ik het land en zijn bevolking beter ken dan menig ander, heb ik mezelf ten doel gesteld mijn romanpersonages de menselijkheid te verlenen die hun ontzegd wordt door schrijvers die eropuit zijn hen te ontmenselijken. Vergelijk mijn roman Links, gepubliceerd in 2003, met de Amerikaanse film Black Hawk Down – over dezelfde gebeurtenissen in 1993 in Mogadishu, en u zult begrijpen wat ik bedoel.

Wat betekent het voor mij om Somaliër te zijn? Wij Somaliërs hebben de neiging om, als zich een crisis voordoet, een beroep te doen op elkaars Somaliness, een abstract begrip dat, zo vinden wij, ons samenbindt als volk, een volk met één hoofdtaal die gesproken wordt door de overgrote meerderheid, met één traditionele cultuur, en met één godsdienst, de islam, die ons verenigt. Het begrip Somaliness mag dan moeilijk te definiëren zijn, maar ik veronderstel dat wij het gedeeltelijk baseren op onze aanspraak op een exceptionalisme dat wij toeschrijven aan de natie waartoe wij allen behoren, een uniciteit die, naar ons gevoel, ons land onderscheidt van vrijwel alle andere naties in het Afrika ten zuiden van de Sahara.

Hoewel we moeten toegeven, als we de huidige rampspoed onder de loep nemen, dat onze Somaliness aan slijtage onderhevig is geraakt, beweren Somaliërs met klem dat het begrip niet alleen nog steeds bestaat, maar dat het springlevend is. Bovendien is het juist deze Somaliness, dat wil zeggen onze menselijkheid, waarop we ons beroepen als we elkaar ontmoeten om te praten over de huidige politieke crisis. Ik ben trouw aan mijn Somaliness, mijn menselijkheid, die in mij voortleeft en die mij geholpen heeft de moeilijke jaren van mijn ballingschap te doorstaan.

Tegelijkertijd heeft mijn ballingschap mij de mogelijkheid geboden mezelf te worden; een schrijver met een brede, veelomvattende kijk op de wereld, een schrijver die onbevreesd de meest onverkwikkelijke gespreksonderwerpen durft aan te pakken. Ik heb mijn leven en mijn werk gewijd aan het vertellen van de waarheid, naar mijn beste vermogen en met volle overgave. Mijns inziens dank ik alles wat ik geworden ben aan een wereld die veel groter is dan die waarin ik geboren ben, de wereld die mijn ouders en mijn andere familieleden niet kenden, de wereld die haar vertrouwen in mij heeft gesteld; ik dank het ook aan mijn vrienden die mij hebben bijgestaan en mijn lezers die mij zijn gaan waarderen. Mijn waarheid is de waarheid van vandaag, die de leugens van gisteren inhaalt – en mij dunkt dat, omdat een leugen kortere benen heeft, de waarheid van de kunst haar niet alleen snel zal inhalen, maar haar tevens voorbij zal streven en haar achter zal laten in het stof van de uitsterving.

Dit is een bekorte versie van de Winternachtenlezing afgelopen donderdag in de Nieuwe Kerk in Den Haag. De volledige tekst en de inleiding op zijn werk door Kristien Hemmerechts zijn te lezen op www.winternachten.nl. Vertaler: Hanneke Nutbey.