Neem het letterlijk!

Symbolisch woordgebruik heeft een fysieke basis. Hier zijn zeven metaforen met bewezen lichamelijke oorsprong. Ellen de Bruin

Illustraties Milo
Illustraties Milo Milo

Heeft iemand met een ‘warme persoonlijkheid’ ook echt een hogere lichaamstemperatuur? En heeft iemand die ‘vuile handen heeft gemaakt’ echt vieze handen? Nee, althans niet per definitie. Toch komen zulke uitdrukkingen in allerlei talen voor – ze zijn niet karakteristiek voor een taal, een cultuur, maar voor de menselijke soort. En ze blijken wel degelijk een fysieke oorsprong te hebben, zo tonen verschillende recent verschenen onderzoeken aan.

Veel symbolisch, metaforisch taalgebruik is geënt op heel concrete, lichamelijke waarnemingen. De mens heeft als eerste geleerd om biologische, lichamelijke ervaringen te beschrijven – zoals moederwarmte. Vervolgens is de betekenis van de daarvoor gebruikte woorden uitgebreid naar vergelijkbare niet-fysieke ervaringen, van – in dit geval – veiligheid en vertrouwen. Die noemen ze dan ook warm.

Op deze pagina’s wordt een aantal studies beschreven die aantonen hoe die weg van fysiek naar symbolisch bijvoorbeeld kan lopen. Het achterliggende concept is dat van embodied cognition, letterlijk ‘belichaamde gedachten’. Het idee is dat iemands gedachten geen onafhankelijk van de buitenwereld opererende abstracties zijn, maar volledig worden bepaald door de interactie tussen het lichaam en de buitenwereld. Vorm en mogelijkheden van het menselijk lichaam bepalen welk gedrag we kunnen vertonen, en dat vormt dan weer de menselijke cognitieve functies, zoals de manier waarop mensen de wereld in categorieën indelen en die benoemen. Een hoofd zonder lichaam zou nooit kunnen denken, menen de strengste aanhangers van embodied cognition.

Nog een (simpel) voorbeeld: mensen gebruiken het tientallig stelsel omdat de mens tien vingers heeft, ook al biedt het twaalftallig stelsel extra rekenkundige voordelen (twaalf heeft meer delers dan tien). En volgens sommige onderzoekers valt ook facial feedback onder embodied cognition: als mensen hun mond in een glimlach trekken, worden ze enthousiaster over wat ze aan het doen zijn.

Doordat embodied cognition zo’n abstract begrip is, is het moeilijk af te bakenen. Het is dan ook eerder een uitgangspunt voor onderzoek dan een onderzoeksterrein. Het idee dat ‘cognition’ ‘embodied’ is, wordt wel steeds populairder: in verschillende disciplines (ontwikkelingspsychologie, cognitieve psychologie, taalwetenschap, robotica, artificiële intelligentie, filosofie) groeit het aantal wetenschappers dat het als uitgangspunt neemt voor hun werk.

Warm (en koud)

De woorden ‘warm’ en ‘koud’ zeggen iets over de temperatuur, maar ook over de vriendelijkheid van mensen en in hoeverre je ze kunt vertrouwen. Iemand die je met ijzige blik aankijkt, of je de cold shoulder geeft, of die iets zegt dat aanvoelt als een koude douche – daar heb je niet zoveel aan; dat is een kouwe kikker. Nee, dan liever een warme persoonlijkheid.

Of iemand ‘warm’ of ‘koud’ overkomt is het eerste oordeel dat mensen klaar hebben over iemand die ze voor het eerst ontmoeten. De termen zijn afkomstig van tastbare ervaringen met fysieke warmte, schreven de psychologen Lawrence Williams en John Bargh in Science (24 oktober 2008). Zo’n ervaring is het veilige, warme contact met de moeder. Bij zo’n aanraking worden dezelfde hersengebieden actief als bij een gevoel van psychische warmte en vertrouwen.

In het onderzoek dat ze in Science beschrijven, lieten Williams en Bargh de deelnemers in de lift even de kop hete koffie of ijskoffie van de proefleider vasthouden. Degenen die warmte hadden gevoeld, beoordeelden een (fictieve) persoon daarna ook als warmer. En ze waren meer geneigd om als dank voor hun deelname een cadeautje voor een vriend te kiezen; mensen die iets kouds hadden vastgehouden kozen vaker een cadeautje voor zichzelf.

Eind vorig jaar beschreven Chen-Bo Zhang en Geoffrey Leonardelli (universiteit van Toronto) al dat mensen die zich herinnerden hoe ze ooit buitengesloten waren, de kamertemperatuur lager inschatten en meer trek kregen in warme soep en koffie (Psychological Science, september 2008). Eenzaamheid voelt dus letterlijk koud.

Pijnlijk

Iemand die zich verlaten voelt, of afgewezen, beledigd of buitengesloten, voelt pijn. Op zijn minst zijn het gekwetste gevoelens, maar iemand kan er ook kapot van zijn, zich verpletterd voelen, hartzeer hebben, een gebroken hart hebben, of het gevoel hebben een klap in zijn gezicht te hebben gekregen. Allemaal uitdrukkingen die, als je ze letterlijk zou nemen, verwijzen naar – soms ernstige – weefselschade.

Zulke pijn is niet louter metaforisch, schreven de Amerikaanse psychologen Geoff MacDonald en Mark Leary in maart 2005 in Psychological Bulletin. Mensen ervaren emotionele pijn echt als pijnlijk, doordat bij sociale diersoorten het waarschuwingssysteem voor sociaal bedreigende situaties is geënt op het lichamelijke pijnsysteem. Dat is evolutionair ouder, en het werkte al goed, dus toen er een nieuw sociaal-emotioneel waarschuwingssysteem moest komen, liftte dat mee op de bestaande pijnmechanismen.

De onderzoekers vermoeden dat mensen (en misschien ook andere sociale dieren) ‘emotionele pijn’ voelen in omstandigheden waarin hun kans op succesvolle voortplanting wordt aangetast, dus bijvoorbeeld bij statusverlies, jaloezie in de liefde en kinderloosheid. Pijn vestigt daar de aandacht op en het vervelende gevoel helpt ervoor te zorgen dat zulke omstandigheden voortaan vermeden worden (voor zover mogelijk natuurlijk). Precies zoals fysieke pijn ervoor zorgt dat een kind voortaan zijn hand nooit meer plat op het warmhoudplaatje bij de Chinees zal leggen.

Bewijs voor hun theorie vonden MacDonald en Leary onder andere in de hersenen. Bij dieren is gebleken dat hersengebieden die actief zijn bij fysieke pijn ook geactiveerd worden bij sociale uitsluiting. Als bij jonge ratjes zo’n gebied wordt geprikkeld, gaan ze harder om hun moeder piepen, maar hetzelfde hersengebied wordt ook actief bij weefselschade. Verder nemen opioïden en het hormoon oxytocine bij jonge dieren zowel fysieke pijn weg, als de angst voor scheiding van hun moeder. Mensen reageren ook zichtbaar hetzelfde op de twee soorten pijn: aan de buitenkant is vaak niet te zien of verdoofdheid, agressie, somberheid of introvert gedrag een fysieke of sociale oorzaak heeft. Gelukkig helpt fysiek troosten (een knuffel of een arm om je heen) ook bij sociale pijn, en maakt sociale troost (luisteren en hulp bieden) dat mensen minder pijn voelen.

In 2006 toonden de psychologen Nathan DeWall en Roy Baumeister van Florida State University aan dat het fysieke pijnsysteem geactiveerd raakt door het gevoel buitengesloten te worden (iets wat voor sociale dieren net zo levensbedreigend kan zijn als ziekte of verwonding). Na een nep-persoonlijkheidstest vertelden ze hun proefpersonen, studenten, dat die later in hun leven waarschijnlijk alleen achter zouden blijven. Na de universiteit zouden hun vrienden langzaam uit hun leven verdwijnen en zouden ze waarschijnlijk steeds meer tijd in hun eentje doorbrengen. Als ze al zouden trouwen, zouden die huwelijken niet lang stand houden. In testen reageerden de studenten daarop met een hogere pijndrempel. Ze verdroegen pijn ook langer. Dat is dezelfde lichamelijk reactie als wanneer hun een flinke fysieke verwonding zou zijn toegebracht. De sociale uitsluiting veroorzaakten dus echte, fysieke pijn. (De proefpersonen kregen overigens het nummer van een hulpverlener mee naar huis na dit experiment, maar nadat alles goed was uitgelegd maakte niemand daar gebruik van.)

Mensen spreken dus van pijn bij emotionele gebeurtenissen omdat die letterlijk pijnlijk voelen, en ze doen dat in allerlei talen: MacDonald en Leary noemen de vrijwel identieke termen voor gekwetste gevoelens in het Duits, Frans, Nederlands, Italiaans, Spaans, Grieks, Hebreeuws, Hongaars, Armeens, Mandarijn, Cantonees, Tibetaans, Bhutanees en Inuktitut.

Lang (of kort)

Een oprit kan lang of kort zijn en een pauze kan lang of kort duren. Een vergadering kan wat naar voren of naar achteren geschoven worden, en een kartonnen doos ook. Mensen gebruiken dezelfde woorden om tijd en plaats te beschrijven. Dat verband is asymmetrisch: het gaat vaker over tijd in ruimtelijke termen dan over plaats in termen van tijd (al kán dat laatste soms wel; je kunt zeggen dat je op een paar minuten afstand van iets bent).

Het is geen toeval dat woorden als ‘lang’ en ‘kort’ op twee manieren inzetbaar zijn. Mensen verwarren tijd en ruimte op precies dezelfde manier in hun niet-talige denken. Dat lieten Daniel Casasanto en Lera Boroditsky van Stanford University zien in een reeks inventieve experimenten, gepubliceerd in Cognition (februari 2008).

De psychologen lieten hun proefpersonen op de computer lijntjes zien van 9 verschillende lengtes, die voor 9 verschillende tijdsduren zichtbaar waren – gekruist waren het 81 verschillende lengte-tijdsduurcombinaties. De proefpersonen moesten direct na het verdwijnen van elk lijntje de lengte en de zichtbaarheidstijd ervan schatten, het eerste door met de muis op twee verschillende plekken van het scherm te klikken, het tweede door met de muis tweemaal te klikken met een interval dat volgens hun schatting gelijk was aan de zichtbaarheidsduur.

Het bleek dat de lengte van een lijntje de schatting van de zichtbaarheidsduur wel beïnvloedde, maar die duur beïnvloedde de schatting van de lengte niet. Dit was in allerlei omstandigheden het geval: als de proefpersonen per lijntje zowel lengte als duur moesten schatten, als ze zich konden concentreren op een van de twee, als de tijdsduur werd benadrukt door een zoemtoon, als het geen lijntjes waren maar bewegende stippen, als de lijntjes tot hun volle lengte groeiden en als ze die direct al hadden.

Dat woorden als ‘lang’ en ‘kort’ zowel voor tijdsduur als voor plaats, lengte en afstand worden gebruik, komt volgens de psychologen doordat onze mentale representatie van tijd gebouwd is op onze mentale representatie van ruimte. Woorden voor tijdsduur zijn ‘geleend’ van woorden voor afstand. Tijd is secundair omdat het een abstracter begrip is dan ruimte: we kunnen het niet direct, zintuiglijk waarnemen. Maar we kunnen het ons wel voorstellen, en die voorstelling is dus geënt op de alledaagse fysieke ervaring met lengte en afstand.

Grappig is dat native speakers van het Engels zich tijd horizontaal voorstellen, en native speakers van het Mandarijn verticaal. In het Mandarijn worden dezelfde woorden gebruikt voor beklimmen en afdalen als voor vorige en volgende maand – alsof de Chinezen afdalen in de ‘lijn der generaties’. Dat is niet zo gek, want Chinezen en mensen uit andere oosterse culturen zijn veel meer op familieverbanden gericht dan westerlingen.

Vies

Je kunt maar beter geen vuile handen maken, en je strafblad schoon houden. De vuile was moet niet buiten hangen. Kortom: dingen die niet mogen, zijn vies. Maar dat gevoel kan verdwijnen door er iets schoons tegenover te plaatsen. Britse psychologen lieten mensen morele dilemma’s beoordelen. Zoals: mag je je dode hond opeten? Of: mag je het geld uit een gevonden portemonnee houden? Als die mensen daarna puzzeltjes oplosten met woorden als ‘schoon’ en ‘puur’ er in, of als ze (op verzoek) hun handen hadden gewassen, waren er meer die vonden dat ‘hond eten’ en ‘geld houden’ mocht (Psychological Science, december 2008).

Mensen zijn ook uit zichzelf bereid hun zonden weg te wassen. Een paar jaar geleden vroegen gedragswetenschappers Chen-Bo Zhang en Katie Liljenquist aan twee groepen mensen om een voorval te beschrijven waarin ze ofwel heel ethisch, ofwel juist heel onethisch hadden gehandeld (Science, 8 september 2006). De tweede groep was daarna meer geneigd om de woordpuzzeltjes W . . S, SH . . ER en S . . P af te maken als wash, shower en soap dan de eerste groep, die vaker bijvoorbeeld wish, shaker en step invulden. Driekwart van de mensen uit de tweede groep koos ook een handenreinigingsdoekje als dank voor hun onderzoekdeelname, terwijl in de groep met het schone geweten de meeste mensen het potlood kozen (de andere optie).

De psychologen noemden dit het Macbeth-effect, naar de smetvrezige Lady uit Shakespeares gelijknamige toneelstuk, die na de moord op koning Duncan wanhopig probeerde ‘het bloed van haar handen te wassen’ (“Out, damned spot! Out, I say!”).

Veel religies kennen moreel bedoelde reinigingsrituelen. Bij dopen wordt het geweten gereinigd (van de erfzonde), niet het lichaam. En als moslims zich ritueel wassen voordat ze de Koran vasthouden, is dat niet alleen uit angst vlekken op het heilige boek te maken. Het is vooral een spirituele reiniging, uit respect voor Allah. Maar of zulke rituelen nou wel zo’n goed idee zijn? Uit het onderzoek bleek ook dat mensen die hun handen hadden gewassen nadat ze iets slechts over henzelf hadden verteld, daarna minder bereid waren een ander te helpen dan mensen die hun handen niet hadden gewassen. Kennelijk hadden die ongewassenen nog iets goed te maken, terwijl de handenwassers dachten al ‘schoon’ te zijn.

Hoog

De koningin wordt aangesproken met ‘uwe hoogheid’, ze heerst over haar onderdanen. Wie te graag iets van haar gedaan wil krijgen, gedraagt zich kruiperig. Iemand die het hoog in zijn bol heeft, zit wel heel hoog te paard.

Macht, kortom, is iets hoogs – iets dat verticaal boven anderen staat. Ook fysiek. In bijna alle culturen wonen machtige personen in hoge huizen en zitten ze op hogere stoelen. Standbeelden staan op sokkels. En in hitlijsten, boeken-toptiens en sportranglijsten staat de winnaar of de best verkopende altijd bovenaan. De Amerikaanse presidentsverkiezingen worden vaker door de langste kandidaat gewonnen (ook dit jaar). In psychologisch onderzoek vinden mensen sneller het ‘machtigste’ woord van bijvoorbeeld het duo meester-slaaf als meester aan de bovenkant van het computerscherm staat.

Dat mensen een fysiek hoge positie met een symbolisch hoge positie associëren, komt doordat fysieke grootte correleert met kracht, schreven George Lakoff en Mark Johnson in Metaphors We Live By (1980). Degene die een gevecht wint, zit bovenop. ‘Grote mensen’ zijn machtiger dan zij, leren jonge kinderen. Basaler is de associatie ‘hoog is goed, laag is slecht’. Mensen hebben hun highs en lows, ze kunnen zich opgewekt, terneergeslagen, of bedrukt voelen. Dat heeft met een gevoel van controle te maken.

Overigens wordt hoog consistenter met macht geassocieerd dan laag met gebrek aan macht. Zal wel komen doordat mensen meer geneigd zijn tot sociaal omhoog kijken dan omlaag.

Rood

De kleur rood heeft een symbolische betekenis – of eigenlijk twee symbolische betekenissen. Aan de ene kant: gevaar. Rood is een stop- of waarschuwingssignaal; het is de kleur waarmee proefwerken worden nagekeken en fouten worden aangegeven, een teken dat er iets mis is. En daarnaast heeft rood ook een romantische betekenis. Het is de kleur van Valentijnsdag, van rode hartjes, van rode rozen, kortom van de liefde. En van seks natuurlijk, zie de red light districts.

Beide signaalfuncties hebben niet alleen bewust, maar ook onbewust zeer concrete effecten. Andrew Elliot van de universiteit van Rochester en zijn collega’s beschreven begin vorig jaar dat mensen slechter presteren op een IQ-test als op de kaft van de vragenlijst de kleur rood is gebruikt (Journal of Experimental Psychology: General, februari 2007). Rood bleek vermijdingsdrang in de hand te werken en tot faalangst te leiden bij iemand die een prestatie moet leveren waarop hij beoordeeld wordt. Al eerder was gebleken dat sporters vaker verliezen als hun tegenstander in het rood speelt. Onlangs toonden Duitse onderzoekers aan dat zelfs scheidsrechters ontzag hebben voor sporters in het rood: die gaven ze meer punten. De sportpsychologen lieten scheidsrechters filmpjes zien van taekwondo’ers en manipuleerden daarin de kleur van de helm en borstbescherming van de sporters (Psychological Science, augustus 2008).

Op liefdesgebied betekent rood juist het omgekeerde van vermijden, schrijft Elliot deze maand in Journal of Personality and Social Psychology. Jonge blanke mannen blijken vrouwen seksueel aantrekkelijker te vinden als die een rood shirtje aan hebben, of als ze tegen een rode achtergrond zijn gefotografeerd, in vergelijking met andere kleuren. Ze vonden zo’n ldy in red trouwens niet slimmer of aardiger. Een teken dat rood ook bij mensenvrouwen een seksuele signaalkleur is, vergelijkbaar met het subtiel rood kleuren of rood opzwellen van het gebied rond de geslachtsdelen bij veel primatenvrouwtjes in de vruchtbare periode. Dat gebeurt bij mensen niet, maar vrouwen blozen wel sneller rond de ovulatie en dragen dan ook blotere kleding.

Of faalangst en vermijding bij het (onbewust) waarnemen van de kleur rood ook een biologische oorsprong hebben, is nog niet duidelijk. Het zou ook kunnen zijn dat het rood van een waarschuwingssignaal aangeleerd is, maar dat zal nader onderzoek moeten aantonen. Er is sowieso nog maar weinig onderzoek gedaan naar de psychologische betekenis van kleuren.

Het idee dat kleuren met een lange golflengte (rood, oranje) een stimulerende werking hebben en kleuren met een korte golflengte (groen, blauw) een rustgevende, hebben Elliot en zijn collega’s met hun onderzoek in elk geval ontkracht. Kleuren kunnen in verschillende contexten een totaal verschillend effect hebben – vermijding of toenadering. Elliot ziet kleuren als niet-talige betekenisdragers, als een soort soortoverschrijdende lingua franca, die gedrag helpen sturen.

Wilskrachtig

Wilskracht is een kracht omdat er energie voor nodig is, voedsel dus, glucose. Het suikergehalte in het bloed daalt na lichamelijke inspanning, maar ook als mensen zichzelf geestelijk moeten beheersen – als ze bijvoorbeeld erg hun best doen om een goede indruk te maken, niet te discrimineren, niet te veel geld uit te geven, niet te veel te snoepen, of hun overweldigende emoties zoals agressie en doodsangst te beheersen. Daarna lukt het hun ook minder goed om zichzelf nóg eens op die manier in te spannen. Maar als ze een suikerhoudend drankje drinken, gaat het wel weer beter, schreef een team Amerikaanse psychologen begin vorig jaar in Journal of Personality and Social Psychology (februari 2007). En dat komt echt door de suiker, niet doordat mensen daar een goed humeur van krijgen.

Hoewel de hersenen slechts twee procent uitmaken van de totale massa van het lichaam, schrijven de psychologen, verbruiken ze wel twintig procent van de calorieën. Als mensen zich echt moeten concentreren, blijkt dat moeilijker te lukken als ze weinig glucose in het bloed hebben. Er is ook onderzoek waaruit blijkt dat crimineel gedrag samenhangt met een gemankeerde glucosehuishouding, en criminelen beschikken vaak over een zeer gebrekkige zelfcontrole.

De onderzoekers benadrukken dat ze het consumeren van grote hoeveelheden suiker geen goede strategie vinden om de wilskracht te vergroten. Ze zien meer in eiwitten of complexe koolhydraten als energiebron. De psychologen vragen zich ook af of streng lijnende mensen wel genoeg glucose in het bloed hebben om hun dieet vol te kunnen houden, maar daar hebben ze geen onderzoek naar gedaan.