Nationale aanpak is niet voldoende voor crisis

Het klonk bescheiden. „We doen wat nodig is, niet meer en niet minder”, zei premier Balkenende gisteren bij de presentatie van een nieuw pakket maatregelen dat de economie moet schragen. De beleidsbeslissingen van het kabinet behelzen vooral garanties en borgstellingen voor bankkrediet en export, en investeringssteun voor enkele sectoren zoals de zorg en woningbouw. Met het kabinetsbeleid zijn geen tot de verbeelding sprekende bedragen gemoeid, zoals in het buitenland in zwang zijn geraakt. Zo kondigde president Obama van Amerika deze week een bedrag van een kleine 600 miljard euro aan voor recessiebestrijding. Ook de grote landen in Europa zijn actief, al trekt ieder zijn eigen plan.

Het grote geld van Nederland gaat niet naar de economie, maar naar steun voor de financiële sector. Tientallen miljarden aan aandelen heeft de staat gekocht in Fortis en ABN Amro. Bovendien is er een noodfonds van 200 miljard euro, waarvan banken overigens weinig gebruikmaken. Pas deze week wist minister Bos (Financiën, PvdA) de banken te bewegen allemaal mee te doen: om pariavorming van een enkele deelnemer te vermijden.

Of het verstandig is om de hand voorlopig op de knip te houden, hangt onder meer af van de diagnose van de recessie waarin Nederland, net als de rest van het Westen, is verzeild raakt. De cijfers zijn niet goed. Op de financiële markten wordt rekening gehouden met een economische krimp van 2 procent in Duitsland. Dan zullen de cijfers voor Nederland niet veel beter zijn. Een gelijktijdige vraaguitval en economische krimp in de industrielanden zijn gevaarlijk en kunnen zichzelf via handels- en geldstromen versterken.

Van belang is ook in welke mate de recessie wordt versterkt door de kredietcrisis. In dat geval zijn extra maatregelen beter te rechtvaardigen. Als gezonde bedrijven door gebrek aan krediet in gevaar komen, dan moet daar iets aan worden gedaan. De kabinetsmaatregelen lijken in die richting te gaan. Maar er zijn excessen geweest. Ook in Nederland, dat een vrij hoge particuliere schuldenlast kent en waar, ook al werd dat deze zomer van regeringswege ontkend, een zeepbel op de woningmarkt op barsten staat. Die markt koelt nu snel af. Dat heeft forse gevolgen voor de moraal en de bestedingen.

Het kabinet wacht af tot de Voorjaarsnota over twee maanden. Europa lijkt intussen anders te dicteren. Directe stimulering in een kleine en open economie als de Nederlandse maakt grote kans weg te lekken naar het buitenland. Maar Nederland mag zich ook niet gedragen als een natie die meelift met de Europese landen die wel steunpakketten lanceren. Een plan tegen de recessie moet dus een internationale dimensie hebben.

Volgende week vergaderen de Europese ministers van Financiën. Zij zullen dan moeten beginnen met een gezamenlijke aanpak die zowel effectief is als betaalbaar op de langere termijn. Het zijn er de tijden niet naar om te hameren op strikte begrotingsdiscipline. Maar het weefsel van de euro mag ook niet worden stuk getrokken door te sterk uiteenlopende budgettaire ontwikkelingen in de lidstaten. De financiële markten zijn al nerveus genoeg. Nederland zal zich plooibaar moeten opstellen en zal niet te veel van de consensus moeten afwijken. ‘Niet meer doen dan nodig is’, kan als houding moeilijk volstaan als niet vaststaat wát er nodig is.