'Ik schaats alleen maar voor de lol'

Schaatser Kyu-Hyuk Lee werd pas wereldkampioen sprint toen hij zichzelf had bevrijd van het strakke Koreaanse trainingsregime. De rebel in Lee moet af en toe feesten. En drinken.

Lee tijdens de WK sprint in Hamar, in 2007. (Foto Soenar Chamid) South Korea's Lee Kyou-Hyuk reacts after his second men's 500 meters World Sprint Speed Skating Championships race at the former Olympic "viking Ship" hall in Hammar, January 21, 2007. REUTERS/Jerry Lampen (NORWAY)
Lee tijdens de WK sprint in Hamar, in 2007. (Foto Soenar Chamid) South Korea's Lee Kyou-Hyuk reacts after his second men's 500 meters World Sprint Speed Skating Championships race at the former Olympic "viking Ship" hall in Hammar, January 21, 2007. REUTERS/Jerry Lampen (NORWAY) Reuters

Kyu-Hyuk Lee zal dertien jaar oud geweest zijn toen hij langs de ijsbaan van Inzell moest overgeven na een zware training. Maar op mededogen van de trainers van de Zuid-Koreaanse nationale ploeg hoefde de kleine jongen niet te rekenen. Met een paar flinke meppen werd hij terug het ijs op geslagen. Trainen, luidde het bevel. Tot hij erbij neerviel. Dag in dag uit. „Mijn benen waren altijd moe. Jongeren moesten trainen, nooit uitrusten”, zegt hij nu. „Dat was de enige trainingsmethode die je naar de overwinning kon brengen.”

Kyu-Hyuk Lee (30), een veteraan met vier Olympische Spelen op zijn naam, oogt ontspannen in zijn hotel in het besneeuwde hart van Moskou. Hij kan dit weekeinde voor de derde achtereenvolgende keer wereldkampioen sprint worden, een prestatie die alleen was weggelegd voor de grootheden Eric Heiden, die de titel zelfs vier keer op rij won, en zesvoudig wereldkampioen Igor Zjelezovski uit Wit-Rusland.

Maar Lee kreeg niks cadeau in zijn loopbaan, die al een heel eind op streek was toen hij in 1994 als vijftienjarige voor de leeuwen werd geworpen tijdens de Spelen van Lillehammer.

Behalve misschien een paar schaatsen van zijn opa, die in Seoul een bedrijf had dat schaatsschoenen maakte. Met zo’n achtergrond moest de kleine Lee wel schaatser worden. Zijn ouders bestieren in Seoul nog altijd een ijsbaan voor recreanten. Zijn broer was kunstschaatser. „Mijn moeder ook. Ze ging met mij in haar buik het ijs op.” Tijdens de Spelen van Salt Lake City (2002) was ze chef demission van de Koreaanse olympische ploeg. Ook zijn vader is olympiër; hij reed in 1968 een onopvallende 1.500 meter in Grenoble. „Ik ben beter”, zegt Lee met een grote grijns op zijn gezicht.

Dat is de rebel in Kyu-Hyuk Lee. Bij vlagen liet die zich tijdens zijn lange loopbaan zien, maar vaker werd hij de kop ingedrukt. Lee liet zich jarenlang leiden door stress en angst in een indoctrinerend trainingsregime waarin loodzware arbeid werd verlangd en prestaties werden geëist. Zijn ouders mogen nog steeds niet komen kijken als hij moet schaatsen. „Toen ik klein was werd mijn vader altijd kwaad als ik slecht presteerde. Dat geeft te veel druk. Hij brengt ongeluk als hij komt kijken.”

Zijn grote mentor in die tijd was de Japanse allrounder Keiji Shirahata, die hij tijdens zijn trainingskampen in Inzell altijd zag. „Met hem heb ik een hele bijzondere band. Ik heb veel aan hem te danken. Van hem heb ik ook de bochtentechniek afgekeken.”

Maar ondanks Lee’s onmiskenbare talent – hij reed elf jaar geleden al zijn eerste wereldrecord – viel hij altijd buiten de prijzen. Dat was geen toeval, maar dat besefte hij pas na zijn zoveelste teleurstelling, de Winterspelen van Turijn (2006), waar hij vierde was geworden op de 1.000 meter. „Ik had er genoeg van.”

Hij ontdeed zich van de strikte regels die de rebel vastbonden en nam zich voor te stoppen met schaatsen en een leven te gaan leiden dat meer bij hem paste. „We hadden veel te veel getraind in de aanloop naar de Spelen. We zaten opgesloten in het nationale trainingscentrum, het was doodsaai. Na de Spelen ben ik gaan feesten. Ik bleef nog wel trainen voor de Asian Games, maar ik hou van feesten en drinken. Dat kan ik elke avond doen. Bier, whiskey, wodka. Alles.” Hij zegt het met een stralende lach. Dik wordt hij er niet van, zegt hij. „Als ik drink, eet ik niet.”

Lee trok zich bewust even niets aan van wat men in Zuid-Korea van hem zou vinden. Het hielp hem zichzelf te verlossen van de beknelling die hij al die jaren had gevoeld. Hij moest er een mentale omslag voor maken. „Mijn hele leven was ik bang geweest dat ik te weinig trainde. Dat was mij al heel jong ingeprent: je moet trainen, je moet winnen. We werden gedreven door angst.”

Dat werd nog versterkt door zijn eergevoel. Zijn omgeving, zijn trainers, zijn familie, iedereen legde hem druk op, maar Lee deed dat zelf ook. „Ik wilde winnen, want heel Zuid-Korea keek mee. We hadden niet veel schaatsers, dus heel veel hing af van mijn prestaties. Als ik slecht reed was ook de eer van mijn coach aangetast, van de schaatsbond, van het land. Maar het schaatsen was niet leuk.”

Lee vermeed ook ontmoetingen met de media. Niet wegens zijn Engels, dat hij behoorlijk beheerst. „Ik hield niet van interviews. Dat gaf alleen maar stress. Journalisten vragen altijd of ik denk dat ik ga winnen. Als ik daarover moest nadenken raakte ik al nerveus. Dan voelde ik meteen weer de druk.”

In de zomer na ‘Turijn’ zagen zijn vrienden hem veranderen. Hij werd een ander mens – vrolijk, opgewekt en vooral opgelucht door het idee dat hij niet meer hoefde. Hij voelde zich eindelijk sterk genoeg om goed om te gaan met de de mentale druk van de wetenschap dat een heel land meekeek en om prestaties vroeg. Hij kreeg zelfs weer plezier in het schaatsen. Maar Lee ging onder één voorwaarde door met zijn sport: „Ik laat mezelf geen druk meer opleggen. Ik schaats alleen nog maar voor de lol.”

De rest is geschiedenis. Tijdens het eerste WK waarop hij niets van zichzelf eiste, in januari 2007 in Hamar, werd hij voor het eerst wereldkampioen, in zijn veertiende seizoen als topschaatser. Kort daarna behaalde hij twee gouden medailles tijdens de Aziatische Winterspelen. En een jaar geleden werd hij opnieuw wereldkampioen sprint, in een bomvol Thialf.

Lee heeft misschien geen hoge verwachtingen meer van zichzelf, dat betekent niet dat hij niet meer nerveus is tijdens een toernooi, zo bleek tijdens dat WK in Thialf. „Ik was zo zenuwachtig voor de beslissende 1.000 meter tegen Jeremy Wotherspoon [die in Moskou ontbreekt, red.] dat ik vijf minuten voordat ik het ijs op moest nog een sigaret heb gerookt, buiten het stadion en uit het zicht van de mensen. Ik móest mezelf ontspannen. Maar ik won wel van hem.”

Het leven ziet er een stuk vrolijker uit voor Lee, niet alleen door zijn wereldtitels. „Alles wat ik vroeger als een last zag, zie ik nu als een cadeautje”, zegt hij. Om te ontspannen gaat hij tijdens het schaatsseizoen helemaal op in films op televisie. „Ja, ik huil soms bij een film”, bekent hij. Het feesten bewaart hij voor de zomermaanden. „Niet voor april. Maar als het seizoen begint, stop ik.” In zijn voorbereiding op ‘Vancouver’ zal het niet anders zijn.

Kyu-Hyuk Lee voelt zijn bloeddruk niet meer oplopen als een journalist hem ernaar vraagt. Ook niet op het WK in Moskou, waar hij opnieuw favoriet is. „Ik maak me er niet meer druk over. Ik geniet gewoon van het schaatsen.”