'Ik moet uitkijken dat ik niet in slaap val'

'Ik heb medelijden met sommige figuren die ik tegenkom in de opvang' (Foto Roel Rozenburg) Den Haag : 12.1.2009 Marcel kingma. foto © Roel Rozenburg
'Ik heb medelijden met sommige figuren die ik tegenkom in de opvang' (Foto Roel Rozenburg) Den Haag : 12.1.2009 Marcel kingma. foto © Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

‘Het zal tegen Sinterklaas geweest zijn, toen ik overnachtte in een portiek in Den Haag. Mijn slaapzak was gestolen, maar ik had een stuk folie bemachtigd waarin ze onderkoelde mensen wikkelen. Dus dat had ik over me heen gelegd. Met de gouden kant naar boven. Op een gegeven moment loopt een vrouw met haar kind het portiek in. Zegt dat kind: ‘Mama, kijk een cadeautje!’. Onder mijn folie lag ik te schuddebuiken van het lachen.

Lachen doe ik nog steeds, al valt dat soms niet mee in een leven als het mijne. Ik ben nu een maand of zeven dakloos en dat is mijn eigen stomme schuld. Ik heb het er zelf naar gemaakt door drugs te gebruiken en het op mijn werk te verknallen. Maar dat is niet het hele verhaal.

Ik ben opgegroeid in een gezin waarin de ouders geen aandacht voor de kinderen hadden. Ze hadden het te druk met hun eigen problemen. Daar kwam bij dat ik een moeilijk kind was. Later werd bij mij de diagnose ADHD gesteld, maar daar wisten ze in die tijd nog niets van af. Dus ik kreeg het stempel: onhandelbaar. Mijn ouders wisten niet wat ze met mij aanmoesten. Ik zwierf liever over straat dan dat ik thuis zat, want daar was het toch maar ongezellig.

Bij mij in de buurt woonde een man die wel oog voor mij had. Hij gaf me snoep en geld. Ik was blij dat er toch nog iemand aandacht aan mij besteedde. Ha ha. Die man heeft mij een jaar lang seksueel misbruikt. Mijn moeder merkte wel dat ik van de ene op de andere dag veranderde, maar ze vroeg niet wat er aan de hand was. En ik deed mijn mond niet open omdat die man dreigde mijn ouders te vermoorden als ik zou praten. Het is aan het licht gekomen nadat ik een keer een vriendje had meegenomen naar die man. Dat vriendje heeft zijn moeder verteld wat daar gebeurde. Toen is die man opgepakt.

Mijn ouders praatten niet met mij over wat mij was overkomen. Op een gegeven moment zijn we verhuisd naar een andere buurt, waar ik gelukkig twee goede vrienden kreeg. En verder zorgde ik ervoor dat ik altijd bezig was, zodat ik niet hoefde na te denken. ’s Ochtends had ik twee krantenwijken, daarna ging ik naar school en na schooltijd had ik een baantje bij een slagerij. Ik maakte mijn school af, deed de slagervakopleiding en kwam voor vast te werken in die slagerij. Het leek goed met mij te gaan.

Toen ik achttien was, kwam ik tijdens een feestje in aanraking met coke. Dat was een fataal moment in mijn leven. Ik kon nooit rust vinden, het was altijd druk in mijn hoofd. Maar als ik coke gebruikte, leek mijn hoofd geordend. Het was het enige moment dat ik me rustig voelde. Ik was al snel verslaafd en de situatie thuis werd onmogelijk. Na een ruzie ging ik het huis uit.

Verschillende familieleden hebben me opgevangen en ik deed allerlei pogingen om af te kicken, maar het ging niet goed met mij. Ik raakte mijn vrienden en mijn werk kwijt, pleegde inbraken om aan geld voor drugs te komen. Toen ik een jaar of 22 was, besloot ik dat het zo niet verder kon. Ik gaf me aan bij de politie. Ik ging naar het bureau en biechtte alles op. Dat waren meteen tien zaken.

De rechter was helemaal niet onder de indruk dat ik mezelf had aangegeven. Ik kreeg drie jaar, waarvan ik er twee heb gezeten. In een gevangenis in Lelystad. Daar, in die gevangenis kwam ik er achter hoe alleen ik was. Die hele twee jaar heb ik nooit bezoek en nooit post ontvangen.

Toen ik uit de gevangenis kwam, ging het een tijdje goed. Ik volgde een afkickprogramma in een kliniek, vond een baan als lasser, kreeg een vriendin en ging begeleid wonen samen met een andere jongen. Maar op een gegeven moment ging die jongen weer gebruiken en werd hij uit die woning gezet. Toen zat ik daar alleen. En uiteindelijk ben ik ook weer gaan gebruiken. Waarom? Ik kan er maar geen antwoord op geven. Was het de eenzaamheid? Was het het gevoel dat niemand om me geeft? Wilde ik eindelijk weer eens rust in mijn hoofd?

Het ging hard bergafwaarts met me. De delicten die ik pleegde om aan geld te komen werden steeds zwaarder. Vier keer smokkelde ik bolletjes cocaïne uit Curaçao. Nou, dan ben je diep gezonken hoor. Uiteindelijk ben ik weer naar de politie gegaan en heb me weer aangegeven. Ik kwam opnieuw in de gevangenis terecht en ging daarna weer afkicken.

In maart vorig jaar kwam ik uit die behandeling. Ik ging weer begeleid wonen en vond werk bij een fietsenmaker. Maar het ging toch weer mis. Ik kon de verleiding gewoonweg niet weerstaan. Bij het begeleid wonen kon ik natuurlijk meteen vertrekken. Ik trok eerst nog even in bij een vriendin, maar twee dagen later stond haar vader voor mijn neus. Of ik mijn boeltje wilde pakken. Want ze was bang voor me. En toen was ik dakloos.

Dat werd slapen bij de nachtopvang van het Leger des Heils. Dat is niet luxe, nee, maar je hebt tenminste een warm bed en je krijgt ook nog een maaltijd. Je slaapt daar met z’n allen op een zaal, dus je moet wel oordoppen indoen. Je zit er met hele vreemde eenden in de bijt, maar eigenlijk bleek ik wel goed met die mensen te kunnen opschieten. In ieder geval, ik probeer mensen in hun waarde te laten. Ik heb medelijden met sommige figuren die ik tegenkom in de opvang. Je ziet ze kapot gaan omdat ze niet eten en teveel gebruiken.

Een tijdlang ben ik nog blijven werken, maar dat liep spaak. Ik kreeg ruzie met een collega. Om nu de dag normaal door te komen, zit ik bij Reflex, een soort sociale werkplaats. Daar haal ik wasmachines uit elkaar. Of ik sorteer kleding. Daarvoor krijg in twintig euro per dag en een warme maaltijd. Ik kom dus niets te kort.

Als ik het bij de nachtopvang te druk vind of ik heb te veel gedronken, slaap ik op straat, in een portiek. Dat is wel te doen hoor, als je met je kleren aan in een warme slaapzak op een matje ligt. In het portiek waar ik afgelopen december sliep, vonden de mensen het niet erg. Als ze ’s morgens naar hun werk gingen zeiden ze alleen ‘Ga je zo weg?’ en dat deed ik ook. Op een gegeven moment werd ik wel wakker geschopt door de politie. Toen kreeg ik een boete. Dat vond ik heel erg flauw. Ik heb niks, waarom moet ik dan ook nog een boete krijgen?

Met dat koude weer heb ik wel weer bij het Leger des Heils geslapen, want ik wil niet dat ze me de volgende ochtend van de stoep af moeten bikken. Als het buiten vriest, geldt de winterregeling. Dan hoef je niet te betalen voor de nachtopvang en hoef je je ook niet te identificeren. Het loopt daar dan wel vol, natuurlijk. Komt er opeens een horde Polen binnen die een abonnement lijken te hebben op Gall & Gall. Dat zorgt dan natuurlijk weer voor gedonder.

Je hebt daklozen die met het koude weer toch op straat overnachten. Omdat ze de drukte van de nachtopvang niet aan kunnen. Je ziet ze even binnen komen om te eten en dan gaan ze weer de kou in. Hoe doen ze dat, vraag ik me af. Ikzelf probeer het over straat zwerven tot een minimum te beperken. Maar als ik wil gebruiken, moet ik dat toch op straat doen, want dat willen ze niet hebben bij het Leger des Heils. Dat is met dat hele koude weer wel link. Dan zeg ik tegen mezelf: uitkijken Marcel, dat je niet in slaap valt, want dan is het over.

Het leven van een dakloze is hard, maar het is wel simpel. In het gewone leven is het haasten, vliegen, vallen en weer doorgaan. Je hebt veel verplichtingen: huur betalen, naar je werk gaan, je vriendin liefhebben, de routine vasthouden. Niet bij de pakken neerzitten. Dat laatste doe ik helaas wel vaak. Het rare met mij is dat ik er niet tegen kan als het goed met me gaat. Als ik liefde krijg, weet ik niet wat ik er mee aan moet. Want ik ken het niet.

Het is moeilijk om als dakloze weer een normaal leven op te pakken. Ik denk wel eens: Marcel, klootzak, je bent capabel genoeg om alles te regelen. Maar als dakloze kom je meteen in een neerwaartse spiraal. Als ik ergens naar toe ga en zeg dat ik dakloos ben, zien ze me liever vertrekken. Ik kan geen afspraken maken, want ik weet nooit hoe een dag verloopt. Ik heb wel een telefoon, maar ik heb nooit beltegoed. En hoe langer ik zo leef, hoe meer de dingen vervagen.

Maar volgende week ga ik toch weer een poging doen om af te kicken. Ik kan natuurlijk niet zo blijven doorgaan. Ik weet dat ik het waard ben om iets van mijn leven te maken. En ik heb dromen. Ik zou graag kinderen willen. Een lekkere zware baan waarin ik me uit kan leven. Een vriendin. Of gewoon een keertje rust.’

Renate van der Zee