Het Fries was in de zestiende en zeventiende eeuw een toontaal

De oorkonde van Foswerd is een van de oudste bewaard gebleven Friestalige documenten: een koopakte uit 1390. foto fryske akademy
De oorkonde van Foswerd is een van de oudste bewaard gebleven Friestalige documenten: een koopakte uit 1390. foto fryske akademy fryske akademy

Het Fries was twee eeuwen lang een toontaal: van 1500 tot 1700. Het verschil tussen enkelvoud en meervoud was toen bij veel woorden enkel een verschil in intonatie. Of ‘seke’ zaak betekende of zaken, hing af van de toon waarop de eerste lettergreep werd uitgesproken. Ook ‘wessen’ (zijn) en ‘wessen’ (geweest) verschilden alleen in intonatie.

Arjen Versloot ontdekte dit tijdens zijn onderzoek naar klankverschuivingen in middeleeuws Fries waarop hij in Groningen promoveerde. Het is een bijzondere ontdekking, want er is uit deze periode uiteraard alleen geschreven materiaal overgeleverd en toon wordt vrijwel nooit geschreven. Versloot baseert zich op de taalkundige analyse van 1200 Friese oorkonden (koopacten, verdragen tussen plaatselijke machthebbers, testamenten e.d.) uit de periode 1378 - 1547. Toevallig is dat een periode met grote veranderingen in het Fries. Omdat van al deze teksten bekend is in welk jaar en in welke plaats ze geschreven zijn, was het mogelijk om de taalvariatie en taalverandering in die periode te reconstrueren.

Het middeleeuwse Fries had nog veel uitgangen met een a erin, net als het vroegmiddeleeuwse Nederlands (Hebban olla vogula nestas hagunnan). In het Nederlands veranderden die a’s rond 1100 in zwakke e’s (uitgesproken als een stemloze ‘u’).

In Fries voltrekt deze verandering zich pas na 1400: namma (naam) wordt dan namme. De uitgangen verzwakken. Daardoor verandert er vanzelf ook het een en ander in de uitspraak van de lettergreep die aan de uitgang voorafgaat.

In het vroege Fries bestond er bijvoorbeeld een helder klinkerverschil tussen ‘seku’ (zaak) en ‘seka’ (zaken). Seku verzwakt in de twaalfde eeuw tot seke. De klemtoon concentreert zich dan op de eerste ‘e’ omdat de zwakke, stemloze ‘e’ aan het einde geen klemtoon kan krijgen. Dat is een onbewust, fysiologisch proces. Zo ontstaat er een dubbel contrast tussen seke en seka: de uitgangen verschillen èn de intonatie van de e in de stam verschilt.

Als vervolgens, in de loop van de vijftiende eeuw ook de uitgang van het meervoud verzwakt (seka wordt seke), blijft alleen het tooncontrast over. Dat houdt het onderscheid tussen enkelvoud en meervoud overeind.

Die tooncontrasten verdwijnen weer in de achttiende eeuw. Er komen andere contrasten voor in de plaats. Bijvoorbeeld: beam (boom) en beammen (bomen) contrasteren nu op twee manieren met elkaar: de uitgangen verschillen èn de uitspraak van de beklemtoonde klinker(s) verschilt: éè versus jè. Dit laatste wordt breking genoemd. Er bestaat een grote overlap tussen woorden die vroeger tooncontrast hadden en de woorden die nu breking hebben. Volgens Versloot is breking daarmee ook een - indirect - bewijs voor het vroegere tooncontrast.

Tooncontrast komt overigens vaker voor binnen de Germaanse taalfamilie. In Nederland komen we het tegen in een aantal Limburgse dialecten. Berthold van Maris