Een wervelstorm van arabesken

In 'Limb's Theorem' van Forsythe manipuleren de dansers elkaar als doelgerichte mecaniciens. (Foto Michel Cavalca)
In 'Limb's Theorem' van Forsythe manipuleren de dansers elkaar als doelgerichte mecaniciens. (Foto Michel Cavalca) Cavalca, Michel

Dans Ballet de l’Opéra de Lyon met Limb’s Theorem. Gezien: 13/1, Muziektheater Amsterdam. Hh 17/1. Inl.: 020-6255455, www.het-muziektheater.nl

Tja. Wat zal ik hier nog eens aan toevoegen? Die vraag zullen veel choreografen zich in 1990 hebben gesteld na het zien van Limb’s Theorem van de Amerikaanse choreograaf William Forsythe. Het werk, tijdens het Holland Festival van dat jaar in Amsterdam uitgevoerd door Forsythes toenmalige Ballett Frankfurt, is te zien als een culminatie van elementen uit eerdere, evenzeer overdonderende voorstellingen als Artifact (1984) en Impressing the Czar (1988). Limb’s Theorem (‘het theorema der ledematen’) betekende de voltooiing van het project waarmee Forsythe geschiedenis zou schrijven: de deconstructie van de ballettaal, van de wetten waaraan de klassieke dans zich tot dan toe had gehouden.

Hoe dat eruitziet wordt deze week in Het Muziektheater getoond door het Ballet de l’Opéra de Lyon. Geen topgroep, maar na een tam begin werpen de dansers zich in deze wervelstorm van scheefhangende arabesken, tot het uiterste gestrekte of geknakte armen en benen, merkwaardige combinaties van geïsoleerde bewegingen en heel veel spiralende vormen.

Forsythe strooit zijn choreografie uit over het toneel, zodat de toeschouwer is gedwongen zelf een keuze te maken uit het gebodene. In het eerste deel compliceert een op één punt rustend, draaibaar scherm het zicht. Voor deel twee ontwierp Forsythe een golvende wand die de ruimte verdeelt in zichtbaar en onzichtbaar, en in het slotdeel cirkelt een onttakelde ‘schotelontvanger’ tegen een achterdoek van witte stof. Door die objecten en een subliem gebruik van licht – een verrijdbare spot, werklicht, laag strijklicht, diagonale vlakken – worden de danserslichamen afgeknipt, naar schemerzones verbannen, aan het oog onttrokken of verzwolgen door de schaduw van een nieuwe lichtstand. Ook de steeds veranderende kostuums zorgen voor optische variatie: gladde balletpakjes worden pardoes ingeruild voor corpsballenribbroeken met overhemd.

Thom Willems, Forsythes huiscomponist, ontdoet de tijd van ‘logische’ ontwikkelingen. Hectische activiteit kan in een paar tellen overgaan in traagheid en rust, waarbij de bouwstenen van de choreografie in slowmotion worden gepresenteerd. Het allesbehalve hoofse partnerwerk staat bol van weerbarstige, hoekige poses – de dansers manipuleren elkaar als doelgerichte mecaniciens.

De verrassing is er na bijna twintig jaar af, maar het stuk imponeert nog altijd. Mocht er ooit een balletcanon worden samengesteld, dan zou het middendeel, Enemy in the Figure, daarin moeten worden opgenomen. Dat blijft ijzersterk, ook in de uitvoering van dit gezelschap, waarvan Caelyn Knight en Jean-Claude Nelson wel iets van de originele vlijmscherpe bewegingsstijl over weten te brengen. En de choreografen van vandaag? Die worstelen nog steeds met dezelfde vraag als in 1990.