Een getto in het bos

Twee miljoen Roma telt Roemenië. Sinds het land lid is van de EU zwermen ze uit over Europa. De achterblijvers verkeren vaak in erbarmelijke omstandigheden. „Ratten vraten baby’s aan. ’s Nachts scheen er gewaakt te moeten worden.”

Gezin in Hetea Foto’s Jaap de Ruig
Gezin in Hetea Foto’s Jaap de Ruig Ruig, Jaap de

De lokale verkiezingen naderden. Heel Roemenië hing vol posters en banieren. Verschillende aspirant-burgemeesters probeerden in de gunst te komen bij de Romazigeuners. In geen land is hun aandeel in de bevolking zo groot: naar schatting 9 procent, twee miljoen mensen.

De Romafamilie bij wie we logeerden, in de zuidelijke provinciestad Caracal, had het er maar druk mee. Ze namen dozen met brood, vlees en spijsolie van de kandidaten in ontvangst. Verschillende familieleden trokken naar het gemeentehuis voor een gesprek, want de zittende burgemeester, die al voor de val van dictator Ceausescu aan de macht was, ambieerde een vijfde termijn.

De burgemeester van Caracal zou beter mea culpa’s kunnen ophangen dan billboards met zijn eigen portret. Sinds de eerste keer dat ik bij de familie thuis kwam, in 1991, had de man bijzonder weinig voor de Romawijk gedaan. Ja, wegens de verkiezingen had hij sleuven langs de ongeplaveide straten laten uitgraven, waarin het donkergrijze afvalwater van de zevenduizend wijkbewoners zich stinkend een weg zocht. Maar het vuilnis werd nog steeds op dezelfde manier opgehaald als altijd; de mensen deponeerden het op een hoop bij hun hek, en eenmaal per week schepte een gemeentewerker het weg. Ik zag wel vooruitgang, maar die was door de bewoners zelf geregeld. Degenen die naar het buitenland waren geweest, hadden de muren van hun huizen gestuukt of er nieuwe daken op gezet.

Een doorsneewijk. Een doorsnee Romafamilie, met Mamaia van 81 aan het hoofd. Een stevige, ronde weduwe die zich kleedt in lagen donkere rokken. Ook thuis draagt ze een hoofddoek, met daaronder een gebreide muts. Tijdens het communisme was ze veertig jaar straatveegster in nachtdienst. Ze kreeg zeven kinderen, van wie de drie zonen volgens traditie thuis bleven wonen. Twee zijn vrijgezel, de derde zit met zijn gezin in een apart tweekamerwoninkje op het familie-erf. De dochters van Mamaia wonen verderop in de wijk of erbuiten. Twee van haar kleinkinderen studeren aan de universiteit, anderen werken in Italië, Griekenland en Duitsland. Niet een van hen is nog als ‘zigeuner’ te herkennen.

Het erf stonk. Vlak achter de omheining hadden de buren hun wc neergezet, een houten huisje met een gat boven een beerput. Overal op het erf zwierven flarden vuil. Mamaia was te oud en te stram om op te ruimen. Haar schoondochter, de vrouw van zoon Olteanu, is te veel gefixeerd op drank. In zeventien jaar had ik Mamaia’s schoondochter nog nooit nuchter gezien. Ze smokkelde flessen het erf op onder haar lange rokken.

Olteanu, 51, had ik vorig jaar nog ontmoet in Parijs. Hij logeerde daar bij zijn neef, die ik ook uit Caracal kende. Neven zijn uiterst waardevolle contacten voor Roma. Drie jaar voor Roemenië tot de Europese Unie werd toegelaten, was deze neef met zijn vrouw en kinderen naar Parijs getrokken, geen euro op zak. Zijn eerste bezigheid was bedelen. Toen het gezin eenmaal in een opvanghuis was opgenomen, ging hij over op zingen en gitaarspelen in de metro, wat hij nog steeds deed. De zaken gingen goed. Het gezin woonde nu in een appartement van een hulporganisatie. Het Parijse bestaan had alleen één nadeel: voortdurend kwam er familie uit Roemenië aanwaaien, allemaal Roma die ook hun kansen in Frankrijk wilden beproeven.

Nu zaten we op het familie-erf in Caracal. Olteanu, grijze baardstoppels, melancholieke stem, vertelde dat hij in Frankrijk geen werk had kunnen vinden. In Spanje wel, daar was hij intussen tweemaal geweest, samen met een groepje andere Roemeense Roma. Nadat ze ieder een paar honderd euro hadden verdiend, kochten ze een auto. Daarin gingen ze van plaats naar plaats, waar maar dagloners nodig waren, meestal in de land- en tuinbouw. De bazen betaalden zwart.

Roemenen doen nooit moeilijk over geïmproviseerde slaapplaatsen, zeker Roma niet. „Waar sliepen jullie in Spanje?” vroeg ik.

„Gewoon, in een tent. Of op een plat.”

Dat woord was nieuw voor mij. Het klonk als ‘Platz’, alsof het een leenwoord uit het Duits was. „Een plat”, herhaalde Olteanu. „Heel handig is dat, je gaat naar een stad en daar zijn altijd wel platuri waar je kunt slapen. In Italië heb je ze ook.”

Ik begreep het. Platuri zijn de sloppenwijken die Roma, vaak uit Roemenië afkomstig, de afgelopen jaren in steden als Madrid, Rome en Milaan hebben laten verrijzen. De omstandigheden zijn er niet eens zo veel slechter dan thuis. Dertig procent van de Roemeense bevolking, onder wie veel Roma, heeft geen waterleiding en riolering.

Olteanu had niets overgehouden aan zijn Spaanse tijd. Al het geld was opgegaan aan de onkosten. Hij leefde weer van het vak dat hij van zijn vader had geleerd, het maken van blikken trechters. Ook zijn twee zonen, die tegen de dertig liepen en thuis woonden, liet hij trechters maken. Zij en hun zus waren de enige kleinkinderen van Mamaia die zich niet aan hun achtergrond hadden kunnen ontworstelen. Hun zus deed weliswaar schoonmaakwerk in Milaan, maar was daar door haar eigen man gestoken met een mes.

Olteanu’s oudste zoon was ook naar Spanje geweest. Ik wist dat hij daar aan het stelen was geraakt en door de politie op het vliegtuig naar huis was gezet, maar zelf stelde hij zijn avontuur heel anders voor. „Ik ben een maand bij een neef geweest die de stierenvechtersarena van Valencia moest schoonhouden! Later heb ik op een plat gewoond. Op een avond werden er acht schapen aangevoerd. ’s Nachts slachtten we ze. Het was een opdracht.”

„Maar waar kwamen die schapen dan vandaan?” Verontschuldigend lachje. „Nou ja... ze waren natuurlijk wel gestolen.”

Zijn jongere broer huiverde. Het buitenland trok hem niet, hij had geen zin om op het slechte pad te komen.

Er was één persoon op het familie-erf die wel succesvol in het buitenland was geweest. Dat was Olteanu’s echtgenote, de drankzuchtige. Haar dochter in Milaan had een kindje. Na het drama met het mes was de peuter door de Italiaanse autoriteiten in een tehuis geplaatst. Zij, de grootmoeder, was afgereisd om het te redden. Tijdens haar drie Milanese maanden had ze ook gewerkt, vlakbij het Grote Kerkhof. En moeilijk dat het was! „Pfff.... ik moest op de grond zitten en dan moest ik de hele tijd mijn hand vooruit houden.”

Ze kwam terug met haar kleinkind. En met 3500 euro.

In Hetea, een Roma-nederzetting niet ver van Sfântu Gheorghe, in het midden van Roemenië, kom ik ook sinds 1991. Te midden van idyllische, beboste heuvels wonen daar driehonderdvijftig mensen in zelf gebouwde huisjes. Om er te komen, moet je vanaf het dichtstbijzijnde dorp een uur over zandpaden lopen.

Het was zondagmiddag. Toen mijn reisgezel en ik in de nederzetting aankwamen, werden we wat minder hartelijk ontvangen dan anders. Had het met de verkiezingen te maken? Ik zag overal emmers die waren uitgedeeld door plaatselijke politici. Hun namen stonden erop. Ook hingen er posters in Hetea. Op een ervan presenteerde zich een Rom die burgemeester wilde worden. Het werd wel eens tijd. In de gemeente Vâlcele, waartoe Hetea behoort, is bijna 50 procent van de inwoners van zigeunerafkomst.

De volgende ochtend schreeuwden een moeder en haar dochter dat ik moest oprotten. Andere inwoners vertelden dat er zes mannen uit Hetea in de gevangenis zaten. Nog eens twaalf waren ook veroordeeld, maar wachtten nog op hun straf. Straks stonden hun vrouwen er alleen voor. Verontwaardigd vertelden ze hoe duur alles de laatste tijd was geworden. De prijzen in de Roemeense supermarkt liggen intussen op Nederlands niveau.

De gemiddelde werkloosheid is in Roemenië op dit moment slechts 4 procent. Maar in het afgelegen Hetea was niets anders te doen dan het hoeden van vee of het plukken van paddestoelen en bosaardbeien. Bijna iedereen is er afhankelijk van een uitkering, ongeveer 170 euro per maand voor een groot gezin. En alle gezinnen zijn er groot. Niemand was naar het buitenland vertrokken.

Op vier of vijf huisjes prijkte een satellietschotel, zodat snelle auto’s, halfnaakte vrouwen en oorlogsgeweld het pastorale bestaan waren binnengekomen. Vooral bij de jongeren, die het sobere communisme niet hadden meegemaakt, leidde dat tot spanningen. Iedere middag ontstond er ruzie. Dat was de reden dat onze binnenkomst zo anders was verlopen.

De volgende dag liepen we door de bossen en over de heuvels naar Vâlcele. De Romawijk in Vâlcele leek een vakantieoord, met al die kleine, maar goed onderhouden huisjes. Zuivere lucht, fraaie vergezichten, keuvelende inwoners, schoongewassen kinderen, een busdienst naar de stad– zo gek was het leven niet op een uur lopen van Hetea.

We bezochten een jonge Romni die van Hetea naar Vâlcele was verhuisd. Net als haar zussen droeg ze geen hoofddoek meer. De hoofddoek heeft voor Roma geen religieuze betekenis. Het brandschone houten huisje was uitgebreid met een tweede kamer en een groentetuin. Er was net visite, een buurtbewoner van zeventien. Toen hij vijftien was, vertelde hij, kwam er een cortorar (zie kader) naar zijn ouders om te vragen of hij mee mocht naar Italië om er te werken. Zijn ouders, naïef, leenden geld voor de reis. Samen met andere jonge Roma was hij meegegaan in een minibusje. Al in Oostenrijk werd duidelijk wat de bedoeling was. Ze werden ieder op een andere straathoek gezet. ’s Avonds haalde de cortorar hen op en dan moesten ze het gebedelde geld afstaan. Later zouden ze de helft terugkrijgen. Eenmaal in Italië moest de jongen zijn benen in een rare stand zetten, alsof hij gehandicapt was. Zijn paspoort en andere papieren waren ineens kwijt. Iedere avond bracht de cortorar hem naar een tehuis voor daklozen om er te slapen. In Napels was dat. Via het Roemeense consulaat in Bari had hij kunnen ontsnappen.

De volgende middag was ik weer in Hetea. Ik stond met wat meisjes te babbelen en maakte kiekjes van een baby. Lachend bogen we ons over mijn toestel. Totaal onverwacht voelde ik een dreun tegen de zijkant van mijn hoofd. Pas na een seconde of tien drong tot me door dat ik een klap had gehad. In de verte rende iemand weg. Een vent van achttien die al drie kinderen had. Vroeger had ik hem zelf nog in mijn armen gehouden.

Middag. Ruzietijd. Ditmaal waren de frustratie en de onmacht op mij afgereageerd. Hetea was een getto geworden, een getto in het bos.

De verkiezingen waren voorbij. In Caracal had de zittende burgemeester gewonnen, net als in de gemeente Vâlcele. Onze laatste dagen in Roemenië brachten we door in de Transsilvaanse stad Cluj die zich in razend tempo ontwikkelt. In 1991 was ik er op de vuilnisbelt geweest. Ongeveer veertig gunoieri, afvalrapende Roma, liepen met stokken te wroeten in huisvuil dat werd uitgebraakt door vuilnisauto’s. De rand van de afvalvlakte brandde, kraaien doken door de rookwolken.

Nu gingen we voor het eerst terug naar deze vuilnisbelt, ditmaal samen met een Nederlander die er actief is voor een christelijke hulporganisatie. Achter hem aan reden we langs de Selgros Cash & Carry. Daarna: paardekarren. Miserabele, van allerlei materialen in elkaar geflanste krotjes, waarin ongeveer honderdtwintig gezinnen wonen. Zelfs in Hetea had ik zoiets nog nooit gezien.

In een barak, die door de hulporganisatie was neergezet, zat een vrouw met een roedel kinderen. Ze waren poerzwart. Meubilair zag ik nauwelijks. Eerst had het gezin in een slechter hutje gewoond, waarin twee rattennesten waren aangetroffen. Ratten vraten baby’s aan. ’s Nachts scheen er gewaakt te moeten worden. Maar de grootste angst van de mensen was dat hun huisjes op een nacht zouden worden weggebulldozerd. Al jaren was er sprake van dat de vuilnisbelt wegens milieueisen moest verdwijnen.

We liepen naar de eigenlijke belt. Grote balen lagen in het gras. Ik zag een omheind terrein waar gevonden metaal werd gewogen. Een golvende vlakte, bedekt met afval in allerlei kleuren. Telkens rook ik vlagen van iets anders: rottende groente, brandend hout, mensenpoep. In de verte stonden hutjes van mensen die tijdelijk naar hier waren gekomen omdat ze het elders niet redden.

Een man toonde zijn kapotte heup. Er was een vuilniswagen over hem heen gereden. Iemand had te midden van het vuil een winkeltje gemaakt.

Een groep mensen van alle leeftijden wachtte op vuilniswagens. Er zaten mooie meiden tussen die veel aandacht aan hun uiterlijk hadden besteed. Een tweetandige haak aan een steel was hun werktuig. Zodra er een wagen kwam, probeerden ze een plaatsje links of rechts ervan te bemachtigen, zodat ze als eerste in het spul konden poken dat eruit werd gestort.

Weer een vuilniswagen. Nog nooit had ik mensen zo hard zien werken. Het ging de hele dag door, vertelde de Nederlander, zomer en winter. Hij was een keer op drie kleine jongetjes gestuit die vanonder een lap plastic de ratten van zich af hielden.

Wij wilden graag filmen. „De vuilverwerking van Cluj is een privéonderneming”, zei de Nederlander. „Ik heb de directeur moeten beloven dat ik niet zou filmen. Maar wat mij betreft mogen jullie teruggaan zonder mij.”

Dat deden we later die dag. Het viel slecht bij sommige gunoieri. Er waren al meer journalisten geweest. Nooit was er wat verbeterd.

Een man, gekleed in de broek en het vest van een driedelig zwart pak, vertelde dat hij hier nu een jaar met zijn familie was. Ze kwamen uit de stad Hunedoara, waar hij zijn leven lang in een fabriek had gewerkt. Toen hij vorig jaar werd ontslagen, had hij geen inkomsten meer. Nog vier jaar moest hij overbruggen, dan werd hij vijfenzestig en kreeg zijn pensioen.

Mariët Meester schreef ‘Sla een spijker in mijn hart – Roemeense Roma na de revolutie’. Uitgeverij Balans, 2006. Een film over Hetea, The Source, gemaakt door Jaap de Ruig, gaat op 24 januari in wereldpremière op het International Film Festival Rotterdam.