De stelling van Monica den Boer: Veiligheidscijfers zijn de oliebollentest van politie en justitie

Het wordt veiliger want de aangiftecijfers dalen. In Amsterdam en Utrecht presenteerden de commissarissen onlangs rozige cijfers. Maar is dat ook de werkelijkheid? Een gesprek tussen Folkert Jensma en Monica den Boer.

Foto’s Vincent Mentzel Politiedeskundige Monica den Boer is wetenschappelijk decaan van de Politie Academie in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar vergelijkende bestuurskunde/Internationalisering van de politiefunctie aan de VU in Amsterdam. Zij is ook vicepresident van de Board of Governors van het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael in Den Haag. Zij is gespecialiseerd in Europese rechtshandhaving, in het bijzonder terreurbestrijding. Ze studeerde als taalkundige af in Tilburg, promoveerde in Florence, werkte als onderzoeker of docent in Edinburgh, Leiden, Maastricht, Tilburg, Brussel, Gent en Brugge en woont in Rotterdam. Den Boer is wetenschappelijk decaan van de Politie Academie in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar vergelijkende bestuurskunde/Internationalisering van de politiefunctie aan de VU in Amsterdam. Prof.Dr. Monica den BOER . Bijzonder hoogleraar VU , Internationalisering van de politiefunctie. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Rotterdam, 13 januari 2009
Foto’s Vincent Mentzel Politiedeskundige Monica den Boer is wetenschappelijk decaan van de Politie Academie in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar vergelijkende bestuurskunde/Internationalisering van de politiefunctie aan de VU in Amsterdam. Zij is ook vicepresident van de Board of Governors van het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael in Den Haag. Zij is gespecialiseerd in Europese rechtshandhaving, in het bijzonder terreurbestrijding. Ze studeerde als taalkundige af in Tilburg, promoveerde in Florence, werkte als onderzoeker of docent in Edinburgh, Leiden, Maastricht, Tilburg, Brussel, Gent en Brugge en woont in Rotterdam. Den Boer is wetenschappelijk decaan van de Politie Academie in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar vergelijkende bestuurskunde/Internationalisering van de politiefunctie aan de VU in Amsterdam. Prof.Dr. Monica den BOER . Bijzonder hoogleraar VU , Internationalisering van de politiefunctie. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Rotterdam, 13 januari 2009 Mentzel, Vincent

Aangiftecijfers zeggen net zoveel over de kwaliteit van de politie als weerberichten over de invloed van het KNMI. Korpschefs die daaruit concluderen dat ze effectief zijn, scheppen illusies.

„Het verschil is dat het KNMI vooruitkijkt en de politie achteruit. Een commissaris spreekt behalve z’n personeel ook de minister toe – en die heeft meer informatie. Die kent ook ophelderingspercentages, aantallen boetes en arrestaties. Dus het moet wel aannemelijk zijn, wat een commissaris zegt.

„Dalende aangiftecijfers kunnen betekenen dat de burger minder bereid was tot het doen van een aangifte. En dat kan juist een signaal zijn van toegenomen cynisme. Stel je ziet op straat een vent die steeds in auto’s loert. Ga je dat melden? Of denk je: nou, nee hoor, dat zie ik zo vaak, dan kan ik de hele dag de politie bellen. Voelt de burger zich serieus genomen door de politie? Dat zou beter onderzocht moeten worden.”

Maar de Utrechtse hoofdcommissaris stelt dat de ‘aangiftebereidheid hetzelfde is gebleven’. Hoe kan hij dat weten?

„Kennelijk is het totale volume aangiftes er gelijk gebleven. Mij viel juist op dat Utrecht méér aangiften van de burgers wil. De politie moet veel moeite doen om de burger zo ver te krijgen dat hij misdaad meldt. Nu wordt aangifte per internet aanbevolen, om die meldingen maar te laten komen.”

Stel je voor dat het lukt. Dan is de criminaliteit volgend jaar enorm gestegen.

„De vraag is hoe ze daar dan mee omgaan en wat het doet met het imago van de politie. Maar of dat nou betekent dat de criminaliteit werkelijk hoger of lager is... daar zitten nog zoveel filters tussen. In een recent Brits rapport stond dat per 250 strafbare feiten er gemiddeld één veroordeling volgt. De pakkans is al relatief klein, het ophelderingspercentage nog kleiner en het veroordelingpercentage nog weer kleiner. Het lijkt me voor politie en justitie wel een uitdaging om de moed er dan in te houden. Als potentiële crimineel heb je veel mogelijkheden.”

Eén straf op 250 bekende feiten?!

„Jazeker. Wanneer komt een burger dan nog met een aangifte? Wanneer vindt hij het voldoende ernstig en frequent? Dat zijn vooral kwesties van perceptie. En de politie probeert dat te beïnvloeden. Het ene jaar is er meer aandacht voor rellen. Of voor onrust met oud en nieuw. Of voor huiselijk geweld. De focus verschuift.”

De hit van deze week lijkt mij dan de ernst van milieumisdrijven, waar NOVA afgelopen maandag aandacht aan besteedde.

„Ja, dat zei de korpschef Flevoland. Iedere korpschef brengt net een iets andere boodschap – omdat ieder een eigen portefeuille binnen de Raad van Hoofdcommissarissen heeft. Met ieder de strategische opdracht om het eigen onderwerp te prioriteren. Deze korpschef zet dus milieucriminaliteit in de spotlights. De Kamer is er blij mee. We moeten het zwaarder gaan bestraffen, hoor je dan. Dus dat punt is keurig gescoord. Een korpschef moet behendig omgaan met media.”

Wat is wel een goede meting van veiligheid?

„Grote steden werken steeds meer met veiligheidsindexen en veiligheidskaarten. Die komen vaak tot stand op basis van telefonische enquêtes. Maar een eenduidig antwoord heb ik niet. Eigenlijk zijn veiligheidsindexen vergelijkbaar met de oliebollen- en haringtest van het Algemeen Dagblad. Het is een tevredenheidsmonitor. Ik ben ook weleens gebeld. Is uw fiets ooit gestolen, moest u lang wachten op de politie, werd uw klacht goed afgehandeld? Het zijn momentopnames van je veiligheidsbeleving binnen je eigen kleine wijk. Terwijl de mobiliteit van de burger natuurlijk enorm is.”

„Het is een laboratoriumsituatie. Je weet dan niet hoe veilig het gisteren was en hoe het morgen zal zijn. Als je methodologisch verantwoord de beleving van burgers wil meten, moet je dat vaak doen, met dezelfde respondenten en vragen. Maar als een gemeente slecht uit de index komt, kunnen bestuurders daar wel nieuwe maatregelen op baseren.”

Nieuws over criminaliteit vormt bestuurlijke munitie.

„Ja, taalkundig is het een fascinerend proces. Criminaliteit ondergaat ‘framing’, het worden narrative hypes (opzwepende vertellingen; red.) Een probleem krijgt veel urgentie toebedeeld. De rol van de media is aanzienlijk. Een recent bizar voorbeeld was Gouda. Daar hadden we een zwabber-discours. Eerst zei de korpschef dat de situatie onder controle was. Daarin werd hij gesteund door de burgemeester.”

Waarna een retorische oorlog uitbrak in de Kamer...

„ ... en de burgemeester overstapte naar de andere kant en het probleem erkende. Deze bestuurder beïnvloedde zo direct de perceptie van veiligheid. Hij zag een bestuurlijke mogelijkheid: extra agenten, een eigen veiligheidshuis. Daar zat opportunisme in. Het veiligheidsthema biedt een fantastische gelegenheid om je controle als bestuurder groter te maken.”

Mijn indruk is dat veiligheid vooral psychologie is.

„Die veiligheidsperceptie is enorm belangrijk – de nadruk is verschoven van objectieve veiligheid naar veiligheidsbeleving. Vind je het eng om ’s avonds over straat te lopen, dat soort vragen. En gemeenten en korpsen laten zich vaak bedienen door onderzoeksbureaus die het zo weten te brengen dat ze door kunnen gaan met maatregelen die al zijn genomen.”

Maar ik snak naar harde cijfers: pakkans, strafkans, ophelderingspercentages. En dan een objectief beleid, graag.

„Ik vind het uiteindelijk niet zo slecht dat we in Nederland kiezen voor het meten van perceptie. Wat er met die crimineel gebeurt, ontgaat ons toch. De burger wordt beïnvloed door wat in zijn achtertuin gebeurt. Het is niet zo gek dat de politie vooral daarop probeert te sturen. Statistieken kun je bewerken, dat weet de politie ook. Ieder korps weet dat je prestatienormen kunt halen door mensen zonder achterlicht of identiteitspapieren in een fuik te vangen. De plankzaken laat je dan liggen.”

Doet de politie er eigenlijk toe?

„Zeker, het maakt uit wat de politie doet. Alleen weten we heel weinig van het waterbedeffect, van de verplaatsing van criminaliteit bij politieoptreden. Als in Rotterdam Perron 0 wordt ‘schoongeveegd’ zijn er niet opeens minder junks. Die verplaatsen zich – en kunnen dan elders ook anders worden gemeten. De politie erkent overigens volmondig dat criminaliteit en ordeverstoringen pas effectief bestreden worden als veel meer partijen het samen aanpakken.”

Doet het strafrechtelijk systeem er toe?

„Als het om de reductie van criminaliteit gaat: volgens sommige wetenschappers helemaal niets. Daar liggen de oorzaken veel dieper. Bij een tekort aan werkgelegenheid en veel sociaal-economische achterstand groeit de criminaliteit. We stapelen zoveel maatregelen op elkaar dat het moeilijk wordt om oorzaak en gevolg op een zuivere wijze met elkaar in verband te brengen. Bestuurlijk is er een neiging tot een ad hoc cultuur, die resulteert in een lappendeken van maatregelen. We ronden nooit een evaluatie af voordat er een nieuwe maatregel komt. Neem het terrorisme. Daar is in Europa heel veel mogelijk gemaakt: telecominterceptie, het monitoren van de burger, camerabewaking, straatverboden. Uiteindelijk weten we niet of het effectief is, proportioneel of verantwoord.”

Het SCP kwam onlangs met een rapport* waarin het effect van een verhoogde pakkans wordt betwijfeld, het nut van ‘sneller, zekerder en strenger straffen’ onzeker wordt genoemd en de afschrikkende werking van celstraf wordt betwijfeld.

„En hebben we daar al een weerwoord op? Het effect van al die maatregelen is niet meer meetbaar. Wetenschappelijk is het lastig te verantwoorden. Door het plakken van steeds nieuwe etiketten wordt het verhaal onoverzichtelijk. We kunnen moeilijk zeggen dat de criminaliteit er minder door wordt.”

De criminoloog De Haan noemde in ‘Delikt en Delinkwent’ de belofte om de criminaliteit met een kwart te verminderen een slag in het duister. Misschien lukt het, maar je kunt het niet toeschrijven aan de maatregelen.

„Precies, maar daarmee wil ik niet zeggen dat we het maar moeten opgeven. Probeer eens genuanceerd te kijken en te meten. Probeer een meting eens constant te houden. Ik snap ook wel waarom dat moeilijk is. Burgemeesters gaan 4 tot 8 jaar mee. Kamerleden en politici misschien nog korter. En ze moeten hun sporen verdienen – dus ze gaan voor de korte klappen. De politie biedt deskundigheid en informatie, maar de korpsbeheerder (burgemeester; red.) beslist over de middelen, de inzet en de prioriteiten.”

Heeft de burger zelf invloed?

„Burgers, organisaties en bedrijven worden steeds meer zelf verantwoordelijk gemaakt. Ik kan dat als ouder hier in Rotterdam ook goed merken – er ligt een stevige loep op je handelen. Er wordt al vroeg geprobeerd om uit te vinden of iemand uitgroeit tot een potentiële crimineel.

„Als economisch individu word je voortdurend gewezen op allerlei risico's. Geef je identiteit niet weg op internet. Doe je huis op slot. Doe er een alarm op. Zet je fiets aan de ketting. Zo creëer je een ‘non trust’ of ‘low trust’ samenleving waar die achterdeur niet meer ombelemmerd open kan staan. Dat draagt zeker bij aan het voorkomen van bepaalde vormen van criminaliteit.

„Maar het heeft ook een groot nadeel. Burgers verliezen het vertrouwen in elkaar.”

*Sociale Veiligheid Ontsleuteld, SCP 2008.