De puinhopen van acht jaar Bush

George W. Bush gaat roemloos de geschiedenis in. Hij had morele moed maar geen besef van veranderde wereldverhoudingen.

Eerder faalden ook Amerikaanse presidenten. Maar sinds Amerika machtig werd, kwam dit minder voor.

(Tekening Siegfried Woldhek)
(Tekening Siegfried Woldhek) Woldhek, Siegfried

Deze avond gaan mijn gedachten terug naar de eerste nacht dat ik u tot u sprak vanuit dit huis – 11 september 2001. Die ochtend namen terroristen het leven van bijna 3.000 mensen in de ergste aanval op Amerika sinds Pearl Harbor. Ik herinner me dat ik drie dagen later in het puin van het World Trade Center stond, omringd door reddingswerkers die dag en nacht hadden gewerkt.

Terwijl de jaren voorbijtrokken, konden de meeste Amerikanen weer terugkeren naar het leven zoals dat ongeveer was vóór 9/11. Maar ik heb dat nooit gedaan. Elke ochtend ontving ik een briefing over de bedreigingen voor onze natie. Ik deed de belofte alles te doen wat in mijn macht lag om ons veilig te houden.

Terecht bestaat er een debat over de vele beslissingen die ik heb genomen. Maar er kan weinig discussie zijn over de resultaten. Er zijn zeven jaar voorbijgegaan zonder terroristische aanslag op ons grondgebied. Dat is een eerbetoon aan hen die dag en nacht werken voor onze veiligheid – wetshandhavers, inlichtingenfunctionarissen, binnenlandse veiligheidsdiensten, diplomaten en de mannen en vrouwen van de Amerikaanse strijdkrachten.

Terwijl onze natie veiliger is dan zeven jaar geleden, blijft een terroristische aanval de grootste bedreiging voor ons volk. Onze vijanden zijn geduldig en vastbesloten om nogmaals toe te slaan. Amerika heeft het conflict gezocht noch verdiend. Maar we hebben plechtige verantwoordelijkheden en zullen die ook nemen. We moeten ons verzetten tegen zelfgenoegzaamheid. We moeten vastberaden blijven. En onze aandacht mag nooit verslappen.

Afscheidsrede George W. Bush, president Verenigde Staten, 15 januari.

Zeven jaar na 9/11 is het duidelijk dat we kritisch moeten kijken naar onze pogingen om extremisme en zijn vreselijke afgeleide, terroristisch geweld, te voorkomen. Sinds 9/11 heeft het idee van een war on terror ons speelterrein bepaald.

Uiteindelijk is het idee misleidend en verwarrend. De vraag is niet of we het terrorisme bij de wortel moeten bestrijden, dat moeten we, maar de vraag is hoe. Het idee van een war on terror gaf de indruk van een gemeenschappelijk, transnationale vijand, belichaamd door Osama bin Laden en Al-Qaeda. De realiteit is dat de motieven en karakters van terroristische groepen verschillen.

Hoe meer we terroristische groeperingen over één kam scheren, en praten over een zwart-witstrijd tussen gematigden en extremisten, of goed en kwaad, hoe meer we hen die trachten groeperingen te verenigen die weinig met elkaar gemeen hebben, in de kaart spelen.

We moeten het terrorisme aanvallen door het verdedigen van de rechtsstaat, niet door haar ondergeschikt te maken: het is de hoeksteen van de democratische samenleving.

De roep om een war on terror was een oproep tot bewapening, een poging om solidariteit te creëren voor een gevecht tegen een enkele, gedeelde vijand. Maar solidariteit tussen volkeren en naties moet niet gebaseerd zijn op wij tegen zij, maar op het idee van wie wij zijn en de gemeenschappelijke waarden die wij hebben. De terroristen slagen wanneer zij landen angstig en wraakzuchtig maken; wanneer zij verdeeldheid en vijandigheid zaaien; wanneer zij landen dwingen om met geweld en onderdrukking te antwoorden. De beste reactie is te weigeren geïntimideerd te raken.

David Miliband, Britse minister van Buitenlandse Zaken, The Guardian, 15 januari.