In blijvend verzet tegen het einde

Bernlef laat in zijn nieuwe roman zien hoe een utopie zich steeds verder verkleint.

Zijn twee amusante losers verzetten zich tegen een onvermijdelijk proces.

De twee amusante losers in tijden van revolte laat Bernlef in zijn roman De rode droom (Querido, €18,95/€ 22,95) een strijd aanbinden tegen hun eigen ondergang, schrijft Arjen Fortuin. Zie pagina 3
De twee amusante losers in tijden van revolte laat Bernlef in zijn roman De rode droom (Querido, €18,95/€ 22,95) een strijd aanbinden tegen hun eigen ondergang, schrijft Arjen Fortuin. Zie pagina 3

Even kwam de droom ter sprake in Bernlefs laatste bundel, Dwaalwegen (2008). In het gedicht ‘Wat ons rest’ schrijft hij: ‘Hoe verminkt ook, een mens blijft tot zijn laatste snik/ streven naar volledigheid, zijn droom/ een compositie van gemiste kansen.’

Die regels hadden het motto kunnen zijn van De rode droom, Bernlefs gisteren verschenen nieuwe roman. De droom waar dit boek om draait – waar het lang om líjkt te draaien – is inderdaad een compositie van gemiste kansen. Het is ook een droom die al ruim over de houdbaarheidsdatum is: die van de socialistische maatschappij.

Zo lijkt Bernlef een wel zeer onmodieus hoekje te hebben opgezocht. Terwijl de wereld vooral het kapitalistisch falen onder de loep neemt, presenteert de P.C. Hooftprijswinnaar 1994 het verhaal van Krap en Kowalski, twee vijftigers die proberen de illusie van een reëel bestaand socialisme te bewaren. Jarenlang verdienden deze mannen hun brood in een socialistische staat, als liftinspecteur respectievelijk distributeur van toiletpapier. Tot op een dag alle gezagsdragers vertrokken blijken te zijn, het als Thuisland aangeduide vaderland wordt ingelijfd door het grotere Buurland en de organisatie Vrijhand de lopende zaken ter hand neemt.

Die eenlingen zijn Krap en Kowalski. Zij vormen in de nieuwe staat een wandelend – en werkloos – anachronisme. Ze vinden elkaar in een nostalgie naar het verloren Thuisland, maar lijken verder amper op elkaar. Krap is groot en fors, een man van het overzicht, denkend in systemen. Hij probeert een wereldrevolutie aan de man te brengen op basis van de door hem ‘ontdekte’ Wet van de wederzijdse aantrekkingskracht. Die moet leiden tot gemeenschappelijk bezit, vrije liefde. Kowalski is klein en mager, denker noch revolutionair. Maar ook hij begrijpt niet waarom in het nieuwe systeem het toiletpapier slechter en duurder is geworden.

De verhouding tussen de twee wordt het mooist geschetst als zij samen reizen naar het platteland: ‘Krap zag overal bewijzen voor het bestaan van een universele wet, van een boek der natuur; Kowalski zag slechts losse voorvallen, een wirwar van vallende bladeren, rondvliegende vogels en door de wind getourmenteerde bomen. Kowalski genoot van de details, Krap van de grote lijnen.’

Volgens die grote lijnen wil Krap de wereld naar zijn hand zetten. Maar waar hij zijn denkbeelden ook presenteert, hij krijgt geen poot aan de grond. Overal waar hij het woord neemt, gaat het mis: in een kraakpand vol anarchisten, in een café op het platteland, in een zwaarbeveiligd Tunesisch vakantieparadijs waar hij zicht onderhoudt met de omineus genaamde eigenaar Al Mak-Baar.

Krap en Kowalski zijn een mooi duo. Krap ziet zichzelf als Goethe en Kowalski als zijn Eckermann, wij zien twee typetjes van Koot en Bie en soms de neefjes van Flauberts Bouvard en Pécuchet. Je leest De rode droom in eerste instantie als een onderhoudende roman, met mooie ideeën als de ‘privatisering’ van de staatsveiligheidsdienst en het gebrek aan toiletpapier na de bevrijding dat ontstaat omdat er plots zoveel kranten gedrukt moeten worden.

Lang blijft echter onduidelijk wat Bernlef ons duidelijk wil maken. Dat er niet alleen maar gewonnen is bij de Wende? Dat ook de vrijheid van het Westen een illusie is? Dat een revolutie ook de kleine waardevolle zaken van het leven aantast? Allemaal waarheden, maar ze zijn zo versleten als de jas van Kowalski.

En omdat je zo lang in het ongewisse blijft over de vraag waarom Bernlef deze mannen heeft geschapen, krijgt het verhaal iets vlaks – ondanks de maatschappelijke theorieën van Krap en de aardige vondsten van Bernlef.

Heel geleidelijk komt er tekening in de roman, als de twee via Nederland (waar Kraps ex woont) naar Tunesië vertrekken en de titel van het boek een andere betekenis krijgt. Pas in de schitterende slotscène legt Bernlef zijn kaarten op tafel. Krap en Kowalski zijn weer thuis en Krap probeert nog eenmaal zijn revolutionaire wereldbeeld te slijten, nu aan zijn elfjarige buurjongen. De inmiddels veelbesproken Wet van de wederzijdse aantrekkingskracht demonstreert hij met behulp van ijzervijlsel en een magneet. De buurjongen vindt het prachtig, maar Kraps pogingen om het kind voor de bijbehorende filosofie te winnen lopen uit op een desillusie. De jongen gelooft niet in zijn wet: ‘U bent een goochelaar, niets dan een goochelaar’.

Het is een vreemd moment, waarin je plotseling ziet welk proces Bernlef daarvoor heeft beschreven. De kern van De rode droom zit niet in de zichtbare nostalgie, de ideologiekritiek of een combinatie ervan. Wat Bernlef beschrijft is hoe Kraps utopisme ongebroken blijft, maar zich steeds verder verkleint. Eerst wilde hij een staat voor zich winnen, toen een ‘vrije’ kunstenaarsgemeenschap, toen een ommuurd toeristenoord en tot slot een kind. Steeds weer besluit hij kleiner te beginnen in de hoop dat de vonk overslaat.

In de emotionerende laatste regels van de roman belandt Krap aldus bij de laatste strohalm van zijn bestaan. Met schorre stem vraagt hij Kowalski ‘Ben je mijn vriend.’ En het antwoord stelt hem niet helemaal tevreden.

Zo krimpt de droom van Krap in razend tempo en zo blijkt De rode droom niet alleen – en niet zozeer – verwant aan Publiek geheim, maar vooral aan Hersenschimmen, waarin de dementerende Maarten Klein zijn wereld ziet slinken tot er geen sneeuwvlokje meer van over is.

Veel meer dan een portret van twee amusante losers in tijden van revolte, wordt het verhaal van Krap en Kowalski zo het relaas van twee mannen die zich verzetten tegen een onvermijdelijke ondergang. Met socialisme of kapitalisme heeft dit niet zoveel te maken. Zij verzetten zich tegen hun eigen einde. Het is het verzet dat Bernlef al aangaf in ‘Wat ons rest’, het eerder genoemde gedicht uit Dwaalwegen, dat begint met de regels:

De afgerukte hand zet zijn zoektocht

naar een streling voort

Uit een gezicht weggegriste lippen

blijven lispelen

Losgeschoten benen reppen zich richting finish.

Zo plaatst het slot de verhouding tussen Krap en Kowalski in een ander, gloedvol, licht – en daarmee de hele roman. De afgerukte hand die naar een streling blijft zoeken, is hún hand. Krap en Kowalski zijn elkaars laatste liefde. Het is een vergeefse en illusieloze liefde voor wanneer alle vrouwen en systemen zijn verdwenen – maar wel de laatste liefde.

Zie ook interactief DDR-museum: www.ddr-museum.de

Bernlef: De rode droom. Querido, 240 blz. € 22,95 / € 18,95