‘Gomorra’ is de eerste echte maffiafilm

Gomorra is te zien op het Filmfestival Rotterdam.

Hij presenteert de ware maffia. Dit is de wereld, vol gewetenloze boeven.

‘De consequenties van de liefde’. Dat was de prachtige titel van een prachtige maffiafilm. Le conseguenze dell’amore (2005) was anders, want hij sloeg de flamboyante, de pittoreske en zelfs de moordbeluste misdadigers over, dat wil zeggen, hij ging voorbij aan de vaste elementen die maffiafilms zo eigen maken, en aantrekkelijk. Deze film concentreerde zich daarentegen op een verdorde maffioso. Een oudere man die het zichzelf voor het eerst van zijn leven toestaat om lief te hebben. De consequentie is zijn doodvonnis, en dat weet hij. Want de maffia houdt niet van de liefde. Liefde maakt emotioneel en emoties zijn een risico.

Nu is er een geruchtmakende Italiaanse maffiafilm die het wéér anders aanpakt. Gomorra. Ook al schroeit hij als veel van die andere maffiafilms, hij stinkt anders. Hij is een fenomeen. Hij treedt buiten de oevers van het genre, doet iets wat nog niet eerder gebeurde en zou best eens de eerste kunnen zijn in een nieuwe traditie. Dat komt doordat het onderwerp de maffia zelf is. Na Gomorra besef je dat alle maffiafilms eigenlijk over iets anders gaan. Over de wederwaardigheden van een familie. Over de strijd van een david tegen een goliath, of over een misleide mens. Vaak over een gooi naar de vrijheid. Of over de liefde, als doekje voor het bloeden.

Liefde? In Gomorra? Ben je dol? Liefde is irrelevant. Geen ruimte, geen tijd. Geen idee. Gomorra gaat wel over consequenties, maar dan over le conseguenze della mafia: hij tolt voort op de gevolgen van de georganiseerde misdaad. De maffia, beseft Gomorra, is een parasiet: zij houdt het lichaam waar ze zich mee voedt in leven, meer niet.

Gomorra oogt als de werkelijkheid, maar het is een koortsachtige speelfilm. Alles wat de camera heeft vastgelegd, is geënsceneerd, volgens een scenario en op aanwijzingen van een regisseur. De hoofdrollen werden ingevuld door gerenommeerde acteurs, een enkeling uit de cinema, de meesten uit het theater. De bijrollen zijn voor amateurs uit ‘het veld’ oftewel uit de Napolitaanse achterbuurten. Ze weten waar ze het over hebben, een van hen is afgelopen week nog opgepakt wegens afpersing in opdracht van de camorra, twee figuranten waren al eerder gearresteerd. Maar in de film spelen ze toch echt een rol, ze zíjn hun rollen niet.

Intussen volgt de camera de gebeurtenissen alsof de jacht geopend is.

Gomorra sleurt zijn publiek mee een betonnen mierenhoop in, met afgetakelde appartementen, binnenstraten, galerijen, stegen. Alles ziet eruit of het plakt. Op daken, onder richels, in lege parkeergarages houden gewapende jonge mannen de wacht. Het publiek van Gomorra kijkt over hen heen, nu ziet het de verstolen bewegingen van hunkerende junks en nerveuze dealers. We gaan een deur binnen, een vale keuken in. We horen hoe pakken bankbiljetten suizelen als ze worden nageteld, terwijl ze de nadrukkelijke desinteresse voor al dat geld vaststellen op de gezichten van onderknuppels. Ook stuit het Gomorrapubliek op een partij kalasjnikovs en nog zo wat in een buffelstal. Het pikt wat mee, gaat samen met twee uitgelaten pubers naar een strandje en geeft zich over aan schreeuwen en schieten, tákketákketákketák, voor de lol, ook al giert er echte munitie. In het weidse boerenlandschap van Campania speuren we met een charmante zakenman naar geschikte plekken voor het wegwerken van tonnen illegaal chemisch afval. In de grond, jammer voor de boeren. Nee! Niet van die perziken eten. Terug tussen het saaie beton schrikken we van de schrik van een jochie van een jaar of dertien, bij een aanslag. We kennen hem al, met zijn jachtige gezichtje, en we weten dat de onderklasse van de maffia geschikt materiaal in hem ziet.

Kortom, het publiek van Gomorra wordt klemgezet in en om Napels, het werkterrein van de camorra, de regionale variatie op de maffia.

De filmer Matteo Garrone maakte Gomorra op basis van het gelijknamige boek van de journalist Roberto Saviano. Saviano liet er geen twijfel over bestaan: hij kent de camorra van binnenuit, hij liep mee. Daarom vertelt hij zijn verhaal in de eerste persoon enkelvoud. Soms is die ‘ik’ monter, soms treurig. Vaak is hij verbaasd, nog vaker kokhalst hij van woede en weerzin.

Saviano hanteert een literaire, snelle stijl, hij verleidt zijn lezers mee te gaan in zijn werkelijkheid. Behalve dat geeft hij gedocumenteerd weer hoe de camorra functioneert. ‘Gomorra’ noemde hij zijn boek, en dat is meer dan een woordspel met ‘camorra’. Het is een smeekbede. Net als voor de bijbelse stad Gomorra is er reinigend vuur van een hogere macht nodig om het kwaad te vernietigen. Met minder, suggereert dit boek, krijg je het Gomorra van de camorra niet klein.

Hij greep naar het wapen van de schrijver. Hij beschreef wat hij had gezien en wat hij wist. Hij noemde namen en zette zijn leven op het spel.

Matteo Garrone pakte Saviano’s boek aan in een verwante stijl: waarheidsgetrouw met inachtneming van een fictieve component. Bij Saviano zit die fictie in zijn ‘ik’ als hoofdpersoon – die ‘ik’ is hijzelf, hij heet Roberto. Maar die ‘ik’ kan niet zo realistisch zijn als hij wordt neergezet. Hij neemt deel aan de acties van zijn onderwerp, maar dan in de marge, hij sjouwt of hij chauffeert of zoiets.

In Garrones verfilming is er net zo’n ‘ik’: de ‘ik’ van de camera. Die gluurt en spioneert en is overal bij.

Saviano schrijft: „Ik ben hier geboren, in het land van de camorra waar niets ook maar enige waarde heeft, tenzij het macht oplevert, waar alles de sfeer ademt van een eindstrijd.”

Die woorden zijn de mantra van de verfilming, en de filmer pakte het nog weer soberder aan dan de schrijver. Saviano beschreef, koel en indrukwekkend maar niettemin, spectaculaire scènes. Zoals het verhaal van de container die op een schip gehesen wordt, maar van de hijskraan valt. De laadklep breekt en er rollen bevroren lijken van illegale Chinese arbeiders uit, „met bosjes tegelijk”. Ik lees het en ik huiver, want ik zie het voor me – het is een kant-en-klare filmscène. Maar de filmer zag ervan af.

Of Saviano’s beschrijving van de marteling van een familielid van een spijtoptant: traag, uitvoerig, wreed, met elke (mis)handeling als een symbool voor aard van het verraad. Ik zie ’t voor me, want ik herinner me zulke scènes uit films. Uit The Godfather, uit GoodFellas, uit Once Upon a Time in America, uit wat niet al. Een krakende schedel onder die honkbalknuppel. Het was weerzinwekkend. Maar wat was het prachtig gefilmd, als melodrama, of als onvervreemdbaar onderdeel van een tragedie.

Garrone had hier filmisch mee kunnen uitpakken. Hij doet zijn voordeel met het wrede surrealisme in het boek, maar rituele marteling liet hij achterwege. Er is sprake van heel veel moorden, natuurlijk. Maar pornografisch gefilmd geweld, het handelsmerk van alle maffiafilms, laat hij achterwege.

Hetzelfde geldt voor de andere rituelen. De folklore van het oude Italië. Het laagje beschaving en het korte lontje. De romantiek van an offer you can’t refuse. De spleen van de maffiavrouwen in hun gearrangeerde huwelijken. De operateske oude Dons. Het vereiste ‘respect’. De onaantastbare familiesolidariteit. Allemaal bekende coördinaten voor de maffiafilm en Gomorra schuift ze allemaal terzijde als niet relevant.

Behalve Scarface. Behalve Tony Montana.

Come on. Make way for the bad guy. There’s a bad guy comin’ through!

Montana is ieders held. Saviano beschrijft de megalomane Scarface-villa van een van de camorrabazen. Garrone versleutelde dat hoofdstuk tot Tony Montana als rolmodel voor twee leeghoofden die een grote toekomst voor zichzelf in de camorra zien.

Zij horen tot de kleine mensen uit het boek, die Garrone selecteerde om in het hart van zijn film te vlechten. Het zijn jongens, stelt de film vast, ellendelingen, boeven, maar toch, jongens. Ze zullen omgelegd worden, dat voel je aankomen. En hoe dom en misdadig ze ook zijn, dat wil je toch niet, want zie nou hoe ze dansen en elkaar om de hals vallen. Maar er is geen genade voor wie Het Systeem (i.c. de maffia) provoceert.

Het zijn de kleine luiden die de camorra exploiteert als arbeidskracht. Het voetvolk zonder keuze wordt ingezet voor drugshandel, afpersing, geweld, fraude, aan de naaimachine.

Dit is Italië, zegt Gomorra, dit is Europa. Het is een speelfilm, en het boek kun je afdoen als maar een boek. Film en boek hadden zich kunnen houden aan de troostrijke tradities van de fictie. Maar, suggereert de film, ademt het boek, zo komen jullie er niet van af. Kijk. Zo ziet de wereld eruit. Hij wordt beheerst door gewetenloze machtswellustelingen. En hij zit vol doodsbange mensen die noodgedwongen collaboreren.

Het is de razende missive van een schrijver en een filmer.

Garrone begaf zich met zijn crew en camera’s op het territorium van de camorra: hij verfilmde Saviano’s boek op de locaties waar de camorra het voor het zeggen heeft.

Saviano, door de schrijver Umberto Eco uitgeroepen tot nationale held, is zo heftig met de dood bedreigd dat hij Italië voor onbepaalde tijd heeft moeten verlaten. Garrone trof dat lot minder, misschien omdat een film het werk is van zoveel mensen. Hij noch zijn medewerkers of acteurs hebben zich laten intimideren.

Wie niets doet verliest.

Gomorra

Regie: Matteo Garrone. Met: Salvatore Cantalupo, Toni Servillo, ea.

Gomorra is te zien op het Filmfestival: www.filmfestivalrotterdam.com. Vanaf 29 januari ook in de filmtheaters.