Ze hielden een bacchanaal met droge crackers en bekertjes water

Ik had ongeveer een half jaar niet in een vliegtuig gezeten toen ik gisteren naar Amerika vloog. In dat half jaar was er een hoop gebeurd. Of eigenlijk was er één ding gebeurd: de kredietcrisis. En die had flink ingegrepen.

Het was geen budgetmaatschappij waarmee ik vloog – niet zo’n vliegende bus waar je je eigen broodtrommeltje mee moet nemen. Het was een keurige, respectabele vliegtuigmaatschappij, genoemd naar iemand die Martin heet.

Maar bij de ooit zo respectabele maatschappij was het een en ander veranderd.

We kregen geen warm handdoekje bij het instappen. We kregen geen zakje met elf gezouten amandelen. We hadden geen tv’tje waarop je naar slechte films kon kijken – dat moest je huren voor twaalf euro. In de wc hing bordkartonnen wc-papier.

Maar dat ging nog. Het echte probleem was: we kregen tijdens de elf uur durende vliegreis bijna niets te eten en drinken.

Dat ik bijkans zou uithongeren, wist ik niet toen ik het vliegtuig betrad. Ik was vooral ongerust over het gebrek aan audiovisuele stimuli en huurde onmiddellijk zo’n tv’tje, want elf uur stukslaan is moeilijk met één boek en de Hello! Van de steward kreeg ik een loden moederbord met een klein scherm erin, waarop ik oude films kon bekijken. Ook stonden er YouTube-filmpjes op. Lekker goedkoop. Van de twintig euro die ik de steward gaf voor de huur, schrok hij. ‘Ik kom later met uw wisselgeld’, zei hij. ‘Hier heb ik niet van terug.’

Negen uur later was hij nog niet terug, en had ik verschrikkelijke honger. We hadden aan het begin van de vlucht een beker appelsap en een bordje pasta gekregen, maar daarna had de crew zich teruggetrokken. Ik zag ze achter een gordijn zitten. Ze hielden een bacchanaal met droge crackers en bekertjes water. Ik gluurde naar ze en hunkerde naar elf gezouten amandelen.

Ik zette me over mijn schroom heen en betrad het stewardessenhokje. Met mijn laatste krachten zei ik: ‘Mag ik iets te eten? Ik wil er best voor betalen.’

Een aardige stewardess gaf me een boterham uit eigen voorraad. ‘Deze zijn niet voor de passagiers, dus laat maar aan niemand zien’, zei ze.

Ze beloofde dat over een uur de avondmaaltijd kwam. ‘Een broodje en een yoghurtje.’ Ik glimlachte dankbaar, maar zwakjes. Op mijn plaats schrokte ik de boterham naar binnen.

Aan het eind van de vlucht kwam de steward met mijn acht euro wisselgeld. ‘Het was sprokkelen’, zei hij. Dat geloofde ik.