Soms moet ik echt mijn tong afbijten

Liegen doet iedereen wel eens. Maar wat gebeurt er als de leugens niet meer te stoppen zijn?

Voordat je het weet ga je leven in je fantasie.

Foto Jelle Kalkman
Foto Jelle Kalkman Kalkman, Jelle

Ellen (36) praat snel, maar nog altijd veel langzamer dan vóór haar ontmaskering, een jaar geleden. Toen het voelde alsof ze met twaalf ballen tegelijk jongleerde. Continu. Toen ze haar collega’s voorhield dat ze miljonair was, zou trouwen, ongeneeslijk ziek was, dat haar vader was overleden, dat bij haar thuis was ingebroken en dat ze familie was van Trijntje Oosterhuis. Soms de ene leugen opvullend met de andere. Om de verhaallijn weer iets om te buigen naar het geloofwaardige.

Ellen wil niet met haar achternaam in de krant. Om haar familie niet te schaden, maar ook omdat ze zag wat de samenleving met leugenaars doet. Met iemand als Tara Singh Varma bijvoorbeeld. De heftige reacties die loskwamen na de publieke ontmaskering van de politica deden Ellen besluiten in haar leugens te volharden. Wat kon ze anders?

Liegen doet iedereen. „Om de sociale verhoudingen wat te masseren. Meestal in oppervlakkig contact”, zegt Corine de Ruiter, hoogleraar forensische psychologie aan de Universiteit Maastricht. Maar Ellens drang om te liegen was pathologisch, ziekelijk. „Een pathologisch leugenaar liegt uit gewoonte. Ook als het in het sociale verkeer niet noodzakelijk is.” Hoeveel pathologisch leugenaars Nederland telt is onbekend. De diagnose wordt in de psychiatrie niet meer als zodanig gesteld, want leugenachtigheid hangt volgens De Ruiter altijd samen met andere stoornissen.

Volgens Ellens psycholoog valt haar liegen onder depressieve klachten en een stoornis in haar identiteitsontwikkeling. Als Ellen over haar gevoelens spreekt, spreekt ze klinisch, emotieloos. Soms met een kleine twinkeling in haar ogen, meer niet. Ellen: „Ik kan mijn emoties niet tonen. Na een jeugdtrauma, dat ik nog moet verwerken, schakelde ik mijn gevoel uit.” Huilen ging niet meer. En ondanks dat ze altijd veel vrienden had en Nederlands studeerde, heeft ze zichzelf altijd gezien als ‘waardeloos’, ‘te veel’.

Haar eerste leugen, ze was vijftien, floepte er zomaar uit. Op school. Ellen vertelde dat ze kanker had. De leugen werkte verslavend: „Ik voelde me gelukkiger, zelfverzekerder en kreeg iets waar ik bij anderen nooit om durfde te vragen: aandacht en erkenning.” Bovendien, het ging gemakkelijk. Ellen is intelligent, gevat en ze heeft humor. De perfecte talenten om een leugen te maskeren.

Toen ze zeven jaar geleden als secretaresse ging werken, liep het echter uit de hand. Er lag op haar bureau nooit meer dan één map, want in haar hoofd was ze voortdurend bezig alle verhalen kloppend te houden. „Ik vertelde dat ik miljonair was. Dus waarom geen stedentrip met vriendinnen naar Stockholm?” Ze nam een lening en betaalde voor iedereen. Met een andere vriendin bekeek ze kapitale villa’s. Om het geloofwaardig te houden ondertekende ze tweemaal een koopcontract. Ze wist er onderuit te komen.

Driemaal was ze bijna getrouwd. Tweemaal overleed haar toekomstig echtgenoot voortijdig. Regelmatig meldde ze zich ziek. Huidkanker, botkanker, nierkanker, een tumor in haar hoofd. Alles passeerde de revue. En al haar vriendinnen en collega’s leefden mee. Een arbo-arts inschakelen vond het bedrijf niet nodig, met al die chemokuren had Ellen het al zwaar genoeg.

Waarom niemand iets doorhad? Ellen: „Ik snapt het zelf ook niet. Misschien speelt mee dat ik emoties, al kan ik ze niet tonen, wel perfect kan beschrijven.” Haar weblog over haar strijd tegen ziekte dat ze twee jaar lang bijhield, bracht lezers in tranen. Bovendien: wat is waarheid? „Veel gesprekken die ik met anderen voerde, wáren echt. Al gingen die voor de buitenwereld over mijn strijd tegen kanker en voor mij over de worsteling met mezelf.” En was ze op het werk, dan geloofde zijzelf in haar eigen leugens.

Hoe dat kan? Patricia (32) heeft borderline, een persoonlijkheidsstoornis, en kreeg op haar vijftiende de toen nog bestaande diagnose pathologisch leugenaar. Halverwege het gesprek vertelt ze iets opmerkelijks: „Mijn moeder heeft me stelselmatig mishandeld en verwaarloosd. Ze heeft de keel van onze hond doorgesneden. Het bloed heb ik moeten drinken.”

Wacht even. Als ze dit aan anderen zou vertellen, wie zou haar dan geloven? En belangrijker, zou Patricia het zelf wíllen geloven? Met andere woorden, wat doe je als de waarheid té pijnlijk is? De enige oplossing: een leugen, die geloofwaardiger en draaglijker is dan de waarheid, maar die wel de pijn vertolkt horend bij de traumatische werkelijkheid.

Dus in plaats van te geloven in de mishandeling, geloofde Patricia dat ze astma had en vertelde ze op school dat ze naar een kliniek moest. Op haar vijftiende bereikte ze haar ‘dieptepunt’: ze vertelde 21 variaties op dit basisverhaal aan 21 verschillende personen. „Het werd een soort denksport.” Patricia verzeilde in een fantasiewereld waarin zíj uitmaakte wat haar overkwam. Daarin verrichtte ze heldendaden en werd ze bewonderd. Leraren op school liet ze brieven lezen van ingebeelde vrienden. „Eigenhandig geschreven, maar met spelfouten die ik zelf nooit zou maken.”

En net als Ellen schakelde ook Patricia haar gevoelens na het jeugdtrauma uit. Maar rot blééf ze zich voelen, al kon ze het niet benoemen (pas veel later wist ze het te omschrijven: „alsof er een wurgslang om m’n nek hing”). Om dat gevoel toch een plek te geven, te rechtvaardigen, vertelde ze bijvoorbeeld dat een vriend was overleden.

Psychologe Corine de Ruiter ziet het vaker: worden traumatische gebeurtenissen onvoldoende verwerkt, dan schakelen mensen hun gevoelens uit. „Vergelijk het met een periode van rouw na iemands overlijden. Dan komen allerlei negatieve emoties los, zoals verdriet, angst, woede en schuldgevoelens. Ga je dat rouwproces niet aan, dan kun je depressief worden. En als je die negatieve emoties onderdrukt, onderdruk je ál je emoties. Zo werkt het: je kunt niet kiezen wat je wel en wat je niet onderdrukt.”

Een fake personality is dan een manier van omgaan met de pijnlijke waarheid. Maar het maakt de behandeling des te moeilijker. De Ruiter: “Om eruit te komen moet je twee dingen doen: én je pseudopersoonlijkheid loslaten, én het trauma alsnog verwerken.”

Ellen zette die eerste stap vorig jaar. Zich doodziek voordoen heeft ze nooit gewild. Dus toen ze na zes jaar chemotherapie nog altijd kerngezond op het werk verscheen, rezen bij haar collega’s de twijfels en voelde ze de ontknoping naderen. „Ergens wílde ik ook ontmaskerd worden. Want eenmaal thuis sloeg de paniek toe. Elke avond.” Ze nam ontslag en zou samen met een vriendin een bedrijf starten. Ellen, in werkelijkheid bankroet, zou financieren, had ze de vriendin verteld. Alleen de handtekening van haar vriendin onder het huurcontract ontbrak nog. Die laatste leugen was voor Ellen de druppel: „Ik besefte dat ik nu ook anderen in de problemen zou brengen. En dat was nooit de bedoeling.” Ze stortte in en biechtte in een brief aan haar oude werk alles op. De reacties waren heftig. „Je hebt mijn vertrouwen in de mens beschadigd!”, werd gezegd. Op straat negeren sommige oud-collega’s haar nog altijd. Ze begrijpt het. Verbaasd was ze wel door een anonieme e-mail waarin stond „Je bent de tweede Joran van der Sloot.” Ellen: „Zo ben ik niet.”

Het is volgens Corine de Ruiter een belangrijke reden dat veel pathologisch leugenaars liever hun mond houden: „In Nederland, met onze calvinistische inslag, zijn we heel erg bestraffend. Waarom hebben we in Nederland de meeste gevangenen van Europa, en de meeste kinderen in de cel? Nederlanders wijzen graag met het beschuldigende vingertje, zonder te kijken naar de oorzaken. Denk aan Tara Singh Varma. Ook die had hulp nodig. In plaats daarvan werd ze zwartgemaakt.”

Sinds een jaar probeert Ellen de waarheid onder ogen te zien. Al blijft liegen een zwakke plek. Ze merkt het in de pauzes op haar werk, als ze het gevoel heeft zich te moeten bewijzen. „Soms moet ik echt mijn tong afbijten.”

Patricia heeft inmiddels geleerd haar leugens terug te draaien. Ook krijgt ze van een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige één uur per week ‘aandacht’. Het werkt, ze liegt alleen nog over haar moeder, dat die in een kliniek is opgenomen. „Wishful thinking.”

Patricia schreef een verhaal over haar leugens en hoe zij die heeft overwonnen. Lees Pinokkio: een modern sprookje op nrcnext.nl/links