Kansen in het leven

‘Je krijgt maar een paar grote kansen in je leven, en dan moet je toeslaan’’, hoorde ik een personage zeggen in de trailer van de speelfilm Revolutionary Road.

Het raakte een snaar bij me – rare uitdrukking trouwens, want een mens is toch geen viool of tennisracket? Anyway, om in raar Nederlands verder te gaan, de uitspraak over die kansen was ik toevallig in één week tijds al in enkele interessante variaties tegengekomen.

Huiveringwekkend vond ik de ervaring van actrice Johanna ter Steege, in deze krant beschreven door Floris van Straaten, onze correspondent in Londen. Johanna krijgt de kans van haar leven, want de beroemde filmregisseur Stanley Kubrick heeft haar uitgekozen voor zijn nieuwe film naar de roman Wartime Lies van Louis Begley. Zij mag een Poolse, Joodse vrouw spelen die de Tweede Wereldoorlog in Warschau overleeft. Alles lijkt rond, totdat Kubrick het project op het laatste moment annuleert om redenen waar Johanna buitenstaat: concurrentie van Spielbergs Schindler’s List, huiver voor het complexe thema.

„Het was het moeilijkste moment uit mijn carrière’’, vertelde Johanna. „Ik heb twee dagen in bed gelegen met een laken over mijn hoofd.’’

Wie kan zich dat niet voorstellen?

Hier zien we dat we met die uitspraak uit Revolutionary Road moeten oppassen. Het eerste deel is over het algemeen wel waar, maar het tweede deel gaat niet altijd op. Hoe had Johanna de voor haar fatale beslissing van Kubrick kunnen voorkomen? Had ze hem soms in bed moeten lokken om hem tot andere gedachten te brengen? En dan moet je toeslaan. Goed, dat kan, en het gebeurt, maar je moet er wel zin in hebben.

Deze week sprak ik op een avond in Het Parool Theater in Amsterdam de oud-Ajax-voetballer Marc Stuut, die daar te gast was bij het afscheid van presentator Klaas Vos. Stuut had, zo jong als hij was (29), een interessant levensverhaal. Hij gold ruim tien jaar geleden als een van de grote talenten van Ajax. Als jongetje was hij al naar Ajax gekomen, waar hij in alle jeugdelftallen als middenvelder uitblonk.

Ajax gaf hem een prachtig contract, hij ging twee tot drie ton per jaar verdienen. Hij kon werken met trainers als Jan Wouters en Co Adriaanse. Toch stokte zijn carrière op zeker moment. Hij kreeg een zware knieblessure, maar hij is de eerste om toe te geven dat er méér aan de hand was. Naarmate hij hoger steeg, en in het tweede elftal terechtkwam, merkte hij dat hij tekortkomingen had. Het voetbal was steeds harder en sneller geworden en hij miste daarvoor de fysieke kracht en snelheid. Dat kon hij niet langer compenseren met technisch en tactisch talent.

Drie keer mocht hij bij het eerste elftal op de reservebank zitten – daarmee hield het op. Het mooie van zijn verhaal was dat hij niemand anders de schuld gaf. Hij had zijn kansen gekregen, maar ze niet kunnen grijpen. Gelukkig had hij een goed verstand en kon hij zich via een studie economie maatschappelijk toch nog redden.

Op die avond in Het Parool Theater hoorde ik in dit verband nóg een interessante uitspraak. Klaas Vos kon zich herinneren dat de schrijver Frans Kellendonk aan het einde van zijn leven tegen hem had gezegd: „Je komt in je leven maar één keer je grote liefde tegen.’’

Weer: toeslaan dus. Maar als die grote liefde toevallig een ándere grote liefde op het oog heeft? Dan mag je alleen maar hopen die ándere grote liefde ook een andere grote liefde heeft.