Europese Centrale Bank wil grotere rol in toezicht

De Europese Centrale Bank wil het toezicht op grensoverschrijdende banken naar zich toe trekken. Dat is gezien de kredietcrisis een even logisch als lastig voorstel.

Eén munt, één rentebeleid maar een versplinterd nationaal toezicht op de bancaire sector: in het afgelopen jaar kwam een belangrijke weeffout in de eurozone aan het licht. Op banken die over de grens opereren wordt niet centraal toegezien. Het zijn de nationale toezichthouders – vaak, maar niet altijd de centrale banken – die deze taak op zich nemen. Hoe onhandig dat kan zijn bleek bijvoorbeeld bij het Belgisch-Nederlandse Fortis, dat omviel te midden van verwarring en miscommunicatie tussen de toezichthouders.

Op de werkvloer van Europa is de financiële integratie al ver gevorderd: 70 procent van al het geld dat inwoners van de eurolanden inleggen bij hun banken komt terecht bij slechts 45 grote cross border banken. Het toezicht op de banken loopt daarentegen langs nationale lijnen. Het is een langgekoesterde wens van de centralebankiers om het toezicht op dit soort banken te centraliseren bij de Europese Centrale Bank. Tot nu toe was dat onmogelijk. Ruim drie jaar geleden blokkeerden de Europese ministers van Financiën een discussie over een nieuw toezichtsregime. Maar de tijden zijn veranderd. Lucas Papademos, een van de vaste bestuurders van de ECB, gooide deze week de knuppel in het hoenderhok. Hij pleitte in een vraaggesprek met een Duits weekblad voor het bundelen van het toezicht in Frankfurt, de zetel van de ECB. Daarna deed ook Lorenzo Bini Smaghi, een collega van Papademos zijn zegje. „De crisis heeft de noodzaak aangetoond van het nemen van cruciale beslissingen in luttele minuten”, zei hij. „We hebben mechanismen nodig om snelle uniforme besluiten te nemen, bij meerderheid van stemmen.”

De wens van de ECB klinkt redelijk. Frankfurt heeft sinds het begin van de kredietcrisis een leidende rol bij het laten functioneren van de interbancaire markten, geeft banken ruimhartig geld in ruil voor onderpand, maar heeft formeel geen inzicht in hun balans. Dat voorrecht berust bij de nationale toezichthouders. Dat zijn meestal de centrale banken, maar in Duitsland bijvoorbeeld berust het toezicht bij een aparte instantie, niet bij de Bundesbank.

Een coördinatie van het toezicht zou dus allereerst vergen dat alle nationale centrale banken toezichthouder worden. Daarover verschillen de meningen. In het Verenigd Koninkrijk is de Bank of England bewust buiten het toezicht gehouden omdat daar de heersende mening was dat toezicht een domein is van de politiek, niet van een onafhankelijke centrale bank. En heeft een centraal Europees beleid wel zin als de Britten, die met Londen het belangrijkste financiële centrum binnen de grenzen hebben, daar als buitenstaander van de eurozone niet bij zitten?

Bovendien zou een centraal toezicht ook vergen dat alle nationale depositogarantiestelsels, die het ingelegde spaargeld garanderen, uniform worden. Nog maar vier maanden geleden ergerden Ierland en Duitsland hun Europese partners door unilateraal ál het spaargeld bij hun banken te garanderen, waardoor de vrees bestond voor oneerlijke concurrentie. Spaarders zouden naar Duitse en Ierse banken vluchten.

Het bundelen van het toezicht heeft zo allerlei verregaande consequenties. Zoals het mechanisme van de Europese integratie vaak heeft gewerkt, leidt de ene maatregel noodzakelijkerwijs tot andere maatregelen, en versnelt zo het proces van eenwording. Nationale regeringen weten dat maar al te goed. Het benoemen van de ECB tot overkoepelende toezichthouder brengt al snel een cascade van gevolgen teweeg die nationale beslissingsbevoegdheden naar het supranationale niveau brengt. Dat de ECB politiek onafhankelijk is, een status waarin lidstaten als Frankrijk nog steeds niet geheel berusten, compliceert de zaak nog meer.

En dan is er nog de Europese Commissie, die op het vlak van financiële regulering het alleenrecht op initiatieven bezit. Het hangt van Brussel af hoe ver nieuwe voorstellen gaan, waarbij niet moet worden vergeten dat er ook tussen Brussel en Frankfurt een spanningsveld bestaat op het gebied van competenties in het toezicht op de markten.

Commissievoorzitter Juan Manuel Barroso heeft inmiddels een studiegroep van zwaargewichten in het leven geroepen onder leiding van Jacques de Larosière, voormalig president van de Franse centrale bank en oud-directeur van het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Die moet de gordiaanse knoop ontwarren. Zijn voorstel wordt dit voorjaar verwacht.