Vurig DNA

Nooit geweten dat het uitvaartwezen, net als de horeca, tijdens de kerstdagen zijn post niet verlaat. De voorbereidingen voor mijn moeders uitvaart – toch een catharsis – werden zodoende door geen pauze verstoord. Ook een geluk dat in het verzorgingshuis toevallig een kamer leegstond. Met een paar kleine, al zeg ik het zelf, artistieke ingrepen, hadden we van de kale ruimte een decent privékapelletje gemaakt.

Liefst ging ik er alleen naar binnen. Zittend langs de baar, en kijkend naar de wasachtige vrede van geslaagde onthechting op het gezicht, gleed ons gelijktijdig leven voorbij. Het volgende lijkt me geschikt voor dit hoekje.

Mijn moeder vertelde het me pas toen ik al lang geen wielrenner meer was. Hoe zij, ergens midden jaren vijftig, op een gammele fiets en tegen de zin van haar vader, als ongetrouwde twintiger naar het passeren van de Ronde van Nederland was gaan kijken aan de andere kant van het dorp. De Tourhelden uit de radioverslagen van Jan Cottaar wilde ze zien, aanraken, ruiken.

Ze adoreerde de rauwe bonken die pardoes uit armoe en anonimiteit waren opgestaan. Of ze heimelijk verliefd was op een van die rauwdouwers, heb ik haar niet kunnen ontfutselen. Noch of ze later met voorbedachten rade een wielrenner in spe had gebaard.

Mijn moeder kende armoe in de bittere Peel, de alomtegenwoordige dood, de gesel van de kerk en andere overlevingsstrategieën. Daar aan de rand van het dorp had ze zich kunnen identificeren.

Anderhalf decennium later identificeerde een tienjarig jongetje zich met een volgende generatie asfaltvreters. Gedekt door een uitpuilende schatkist, leerplicht, studiebeurzen, de vergezichten van onbegrensde maatschappelijke mogelijkheden in de jaren zeventig, zocht de puber en adolescent in diepe radeloosheid zijn eigen ontworsteling en ontworteling. Waar in godsnaam was het echte leven, het zielsverlossende avontuur? In de Franse Alpen, waar anders.

Mijn moeder heeft me nooit in het zadel gedrongen. Ze toonde zich eerder huiverig toen haar eigen bloed de professionele wereld betrad met haar curieuze patina van bloemen, ontberingen en injecties. „Stop toch met dat geploeter”, heeft ze meer dan eens gezegd. Toch zag ik haar elk jaar vanuit mijn ooghoeken achter een dranghek op de Champs-Elysées. Het vrouwtje van de wereld, een meter vijftig hoog, was van het dorp losgezongen.

Op Derde Kerstdag legden we het lichaam in een kist. Voordat we het deksel erop schroefden stopten we, iets minder uitbundig dan de oude Egyptenaren het deden, wat dingetjes erbij voor onderweg, en nog wat andere symbolische voorwerpen. Ik legde de witte trui uit mijn eerste Tour de France over de voeten – een podiumtrui met klittenbandsluiting op de rug en grote reclamestickers op de borst.

Haar steelse trots en vurig DNA zaten erin. Vandaar.