Grieken vrezen herleving terrorisme

Griekenland vreest voor herleving van terrorisme, nadat op politieagenten is geschoten, bijna een maand nadat een politiekogel een scholier doodde.

De moordaanslag van gisternacht op drie politieagenten in de Atheense ‘anarchistenwijk’ Exárchia heeft allerwegen vrees gewekt voor herleving van het terrorisme, dat in 2001 met de ontmanteling van de organisatie ‘17 november’ (24 doden in 26 jaar) leek te zijn bedwongen.

Reeds in 2003 deed een nieuwe groep van zich spreken, ‘Revolutionaire Strijd’, die met vaste tussenpozen van zes maanden politiedoelen en ministeries bestookte. De meest spectaculaire actie gold de Amerikaanse ambassade, en speciaal het embleem daarvan, in januari 2007.

Zeven maal is de organisatie met manifesten in de publiciteit gekomen. Sinds juli 2007 had zij gezwegen, maar de aanslag van gisteren wordt opnieuw aan haar toegeschreven, op grond van het gebruikte, en kennelijk tevoren buitgemaakte, wapenmateriaal. De eveneens geworpen handgranaat is van een type dat door de politie wordt gebruikt.

De zwaargewonde politieman Diamantís Mantzoúnis was een dag tevoren toegetreden tot de Mobile Eenheid. Hij had zijn twee collega’s tijdig gewaarschuwd, zodat die konden ontkomen. Er zijn 31 kogels afgevuurd en Mantzoúris, die geen kogelvrij vest droeg, moet zijn gered door twee mobieltjes die de weg naar het hart versperden.

De aanslag komt bijna een maand nadat een andere politieman, die nog steeds vastzit, de 15-jarige scholier Aléxis Grigorópoulos met een kogel had gedood. Dit incident leidde tot grote woede onder de scholieren die wekenlang demonstreerden. Anarchisten, in dit land hooguit 1.500 in getal, haakten daarop in met vernielingen van banken, winkels en straatmeubilair, die vele malen heviger waren dan in de tientallen jaren tevoren.

Beide groepen richtten zich tegen de politie, de scholieren met stenen, de anarchisten met molotovcocktails. Wekenlang moest de politie in het hele land scheldpartijen aanhoren, met als voornaamste: ‘smerissen, varkens, moordenaars’.

Woordvoerders klaagden dat de 55.000-koppige politiemacht een „onderdrukte minderheid” dreigde te worden. Hun kinderen zouden op school worden getreiterd, hun „sociale missie” zou niet langer worden gerespecteerd.

Hoewel het onderzoek naar de schietpartij van december (ook in Exárchia) op de lange baan lijkt te zijn geschoven – de dader spreekt van een waarschuwingsschot dat afketste – sprak de minister van Binnenlandse Zaken bijna onmiddellijk van „moord”.

De politie beklaagt zich er bovendien over dat de negentien dodelijke slachtoffers die ze de laatste jaren heeft betreurd, vrijwel worden doodgezwegen. Dat gebeurde ook met een incident van vorige maand waarbij een collega op het nippertje wist te ontkomen uit een voertuig dat door vijf anarchisten met een molotovcocktail in brand was gestoken.

Dezelfde minister noemde de politie na de aanslag van gisteren „onze zwaarbeproefde medeburgers”. De burgemeester van Athene riep op „aan de kant van de politie te gaan staan” in afwachting van verbetering van hun opleiding, die hij eveneens hoognodig noemde.

De gerespecteerde componist Míkis Theodorákis had er al eerder aan herinnerd dat zijn generatie zich bij demonstraties (tegen het kolonelsregime) nooit tegen de politie had gekeerd, „al keerde die zich wel vaak tegen ons”.

Steeds meer parallellen worden nu getrokken tussen Aléxis en Diamantís, „die in leeftijd niet veel van elkaar verschilden”.