De ijsclub bestaat nog, gelukkig

Zondag was een rotdag: dooi en regen.

Maar zaterdag was het bijna net als vroeger: wie schaatsen kon, die schaatste. En de winter is nog niet voorbij.

„Heb je Reinier Paping weleens ontmoet?”, vraagt een man – en hij trekt er een serieus gezicht bij. Dan schuift hij snel zijn maat naar voren, een veertiger met blozende wangen.

Pret alom in de warme, stampvolle keet van de ijsclub aan de Lange Vaart bij Bleiswijk. Henk de Jong („drie keer Elfstedentocht gereden”) en Piet Heemskerk („de Piet”) zitten met hun vriend Ton Rost („de deurwaarder”) in felgeel schaatspak aan tafel, waar bier en Berenburg op staan.

Henk wil nog één anekdote vertellen. Het was in 1997, zegt Henk, vlak vóór de laatste Elfstedentocht. Piet en hij waren tegen de avondschemering aan het schaatsen op de Kaag. Maagdelijk, maar verraderlijk ijs. De eenzame schaatser die de twee mannen had ingehaald, was ineens verdwenen.

„Ik wist dat daar een windwak zat”, zegt Henk.

„Wij hebben altijd een touw bij ons”, zegt Piet.

Henk vertelt hoe hij met Piet stond te bakkeleien over wie er het wak in zou gaan. Hoe híj uiteindelijk in het ijzige water gleed, kopje onder ging, maar niets vond. Hoe hij ineens – hij reikt over de tafel naar de verslaggever – een slappe koude hand voelde. Hoe Piet en hij de drenkeling met een ultieme krachtinspanning uit het wak wisten te krijgen.

„En wat denk je?” zegt Henk en hij laat een lange stilte vallen. Piet en Ton hebben het niet meer van het lachen. „Heeft die vent waterski’s aan!”

Zondag is het gaan dooien en regenen. Maar zaterdag, de dag dat we hier zitten, is het goed schaatsweer: temperatuur rond het vriespunt, een bewolkte hemel, weinig wind. Op het Henschotermeer bij Woudenberg wordt de eerste toertocht verreden.

Ook Rotterdam staat op de schaatsen – dat wil zeggen: autochtoon Rotterdam. Op de Kralingse Plas schaatst alleen de blanke burgerij. Een jonge vrouw op kunstschaatsen wordt op de hielen gezeten door drie uitgelaten labradors.

Carolien Beun, een jonge moeder met een wintersportgebruind gezicht onder een elegant mutsje, staat vrolijk te kletsen met Arjen Huizinga, die ook een kind bij zich heeft. Caroliens dochter Carlot (7) klampt zich nog vast aan een keukenstoel. Maar Arjens dochter Josephine (6) gaat er al met kwieke slag vandoor. „Een echt sportertje”, zegt Arjen. „Die staat nog op het hockeyveld met 40 graden koorts.”

Even buiten de stad op de Rottemeren is het drukker. Sportieve vijftigers en zestigers in felgekleurde schaatsoutfits zijn in de meerderheid. Geroutineerd trekken ze hun baantjes. Vlak bij de kant staat een groepje uitgelaten ouderen bij elkaar. Aad van Heek (71) slaat een andere man op de schouders. „Jij ook hier!”

„Ze hebben elkaar gevonden hoor”, zegt Conny de Jong (60) lachend.

„Het is hier net één grote familie”, zegt Aad van Heek tevreden. Hij is zeker niet de oudste. „Tante Nel schaatst ook. Die is 82.”

„Vanochtend stond in de krant dat mensen van onze leeftijd onverantwoorde risico’s nemen”, zegt Gert Zandsteeg (59). „Maar dat is niet zo. Wij kénnen het natuurijs nog.”

„Ik heb Evert van Benthem de Elfstedentocht zien schaatsen”, zegt Conny. „En de Prins van Oranje. Hoe hij in de armen van zijn moeder viel.”

„Díé is gek”, roept Pier Ozinga (61). Een jongen glijdt over het dunne ijs onder de Pekhuisbrug. „Als die d’r door was gegaan”, foetert Pier, „had ik ’m zó naar de bodem laten zakken.”

Aan het eind van de Rottemeren, waar de Grote Vaart uitmondt in de Rotte, staat het clubhuis: een donkergroene houten keet met rode kozijnen en een zinken dak. ‘IJsclub Bleiswijk door den eeuwen heen’, staat er met oranje letters boven de deur geschilderd. Op de vaart is het een drukte van belang. Veel kinderen op ijshockeyschaatsen. Uit luidsprekers klinkt Tiroler blaasmuziek.

Penningmeester Guus Adegeest staat op de dijk. „Ik loop hier met een glimlach rond.”

„Vroeger”, zegt hij, „was je als echte Bleiswijker lid van de oranjevereniging en van de ijsclub.” Maar de club sterft langzaam uit. Vorig jaar ging de jeugdafdeling op in de nieuwe schaatsvereniging Lansingerland. IJsclub Bleiswijk is er alleen nog voor het natuurijs. „De meeste van mijn leden zitten in het bejaardenhuis”, zegt Adegeest. „En het bestuur is ook al op leeftijd.” Nu doet de kantine goede zaken. En misschien melden zich na vandaag nieuwe leden aan.

„Mijn kleinkind is tien”, zegt Niek Kindt, één van de bestuursleden. „Nu schaatst hij voor het eerst. Een halve generatie heeft nog nooit op het ijs gestaan.” Zelf zit hij tien jaar in het bestuur van de IJsclub Bleiswijk. Nooit was er in die tijd een schaatsdag als vandaag. Niek Kindt glimt: „Hier heb ik al die tijd op gewacht.”

Ondertussen kunnen de auto’s het parkeerterrein onderaan de dijk nauwelijks meer op. Het gerucht gaat dat de politie bonnen aan het uitdelen is aan dubbelparkeerders – tot grote verontwaardiging van de IJsclub Bleiswijk. „Ze moeten coulanter zijn met de gewone burger”, snuift vrijwilliger Piet Loeffen (77). „We hebben toch al zo weinig.” Even later is het probleem opgelost. Een medewerker van Recreatietoezicht Zuid-Holland heeft de slagboom van het naastgelegen terrein geopend.

Jammer dat er geen toertocht verreden kan worden. Daarvoor moet het ijs nog groeien tot elf centimeter. Piet Loeffen denkt niet dat dat nog gebeurt. Vanmorgen zag hij een mol uit de grond kruipen. En zie je die ganzen daar vliegen? „Het einde van de winter is aanstaande”, zegt hij.

„Weet je nog de oude molenaar die overleden is?”, zegt Guus Adegeest lachend. „Die wist het ook altijd te voorspellen. Kwam óók nooit uit.”