Bouwer die Rome trouw bleef

Na een slepende ziekte overleed vorige week voormalig topman Joop Janssen van bouwbedrijf Heijmans. Al voor hij ziek werd, spande hij zich in voor kankeronderzoek.

Joop Janssen in juni 2006. Foto Maarten van Haaff Joop Janssen, foto Maarten van Haaff
Joop Janssen in juni 2006. Foto Maarten van Haaff Joop Janssen, foto Maarten van Haaff Haaff, Maarten van

Ben je gek, zei Joop Janssen toen hem begin jaren negentig als bestuurslid van bouwbedrijf Heijmans gevraagd werd te doneren aan een stichting van een Amsterdamse oncoloog. „Een dokter die geld moet krijgen van het bedrijfsleven is belachelijk. Daar is de overheid toch voor?”

Nadat hij kennis had gemaakt met de betrokken arts, professor Bob Pinedo, en diens zakelijke aanpak van kankeronderzoek, liet Janssen zich overtuigen. Heijmans ging, net als vele andere bedrijven en particulieren, structureel geld geven aan de initiatieven van de aan het VU-ziekenhuis verbonden arts. Enkele tienduizenden euro’s per jaar. Uiteindelijk werd hij zelf bestuurslid van een van Pinedo’s stichtingen en ging hij actief fondsen werven. „Ik hou ervan om rijke mensen een poot uit te draaien.”

In 2000 werd bij Janssen de ziekte van Kahler vastgesteld, een vorm van beenmergkanker. Zijn plaatselijke dokter in Den Bosch gaf hem nog drie maanden te leven. „Ik had geluk”, vertelde hij drie jaar geleden aan deze krant, „dat ik Pinedo kende. Hij verwees me voor een second opinion naar de beste hematoloog van het VU-ziekenhuis. Die heeft me niet genezen, maar het leven wel draaglijk gemaakt.”

Een onwenselijke voorkeursbehandeling wilde Janssen dit niet noemen. Pinedo, wist hij, was op deze manier voor iedereen beschikbaar. „Ik heb tientallen zieke mensen naar hem doorgestuurd. Ook gewone mensen van Heijmans. Als ik zelf in het VU-ziekenhuis een uurtje of wat moet wachten, vind ik dat geen probleem. Er zal er wel weer eentje tussendoor worden gelaten, denk ik dan, zoals ik destijds.”

Janssen heeft nog acht jaar van het leven kunnen genieten. Afgelopen vrijdag overleed hij, op 66-jarige leeftijd. In het bedrijfsleven, onder beleggers en bij journalisten, stond Joop Janssen bekend als een hartelijke, openhartige bestuurder. Altijd bereikbaar voor gevat commentaar, grappig of boud geformuleerd.

Janssen (Hilversum, 1942) was om twee redenen een buitenstaander in de gesloten bouwwereld. Hij werkte er niet zijn hele leven, en hij was geen ambachtsman of ingenieur. Janssen was een rekenaar, die carrière had gemaakt als accountant (bij Klijnveld Kraaijenhof) en bankier (bij NMB).

Als rechtgeaard katholiek koos hij aanvankelijk voor de priesteropleiding op het seminarie in Bergen op Zoom, maar uiteindelijk koos hij voor het staatsexamen HBS-a en een opleiding tot registeraccountant. Hij bleef Rome trouw, als kerkganger, als parochiebestuurder en als verzamelaar van bijbeltegels. In 1999 kreeg hij de pauselijke Gregorius de Grote-onderscheiding.

Als regiodirecteur bij NMB werd hij in 1988 gevraagd financieel directeur van Heijmans te worden, een bescheiden maar ambitieus bouwbedrijf uit Rosmalen. Hij werd er in 1995 bestuursvoorzitter. In de periode dat Janssen er zat, groeide het familiebedrijf van een kleine 2.000 medewerkers tot 10.000 en vertienvoudigde de omzet tot 2,3 miljard euro. De winst liep op van 2 tot 70 miljoen euro. Inmiddels was Heijmans, in 1993, naar de beurs gegaan. De familie hield een minderheidsbelang.

Janssen was de man die Heijmans’ expansieplannen bedacht en uitvoerde. Hij heeft zo’n vijftig overnames achter zijn naam staan, vooral regionale familiebouwbedrijven. De acquisitie van kantorenbouwer IBC voor een kleine 100 miljoen euro in 1999, was de grootste. Het nog veel grotere plan om de bouwtak van gigant HBG over te nemen, mislukte. Janssen had graag willen profiteren van de baggeroorlog, waarbij Boskalis een vijandig bod uitbracht op de baggerpoot van HBG. Het evenzeer vijandige bod van Janssen mislukte, HBG kwam uiteindelijk bij BAM terecht.

Pijnlijkste episode uit Janssens tijd bij Heijmans was zonder twijfel de betrokkenheid bij de bouwfraude. Die kwam in 2001 aan het licht en woedde door de gehele bouwwereld. Ook bij Heijmans was door medewerkers en divisiedirecteuren op grote schaal onderhands zwart betaald voor het binnenhalen van orders. Janssen, naar eigen zeggen niet op de hoogte van de malversaties, was de eerste bestuursvoorzitter uit de sector – en lange tijd de enige – die erkende dat er dingen niet in de haak waren. „Er wordt in de bouw vaak met koffers zwart geld gesleept”, erkende hij in de Volkskrant. Janssen achtte zichzelf niet schuldig aan de frauduleuze praktijken, maar voelde zich als hoogste baas wel verantwoordelijk.

Graag had Janssen zijn bedrijf willen vertegenwoordigen in de parlementaire enquête en de strafzaken die volgden. Maar zijn ziekte en de slopende behandeling daarvan beletten dat. Na eerst een paar maanden deeltijd te hebben gewerkt, ging hij in medio 2002 noodgedwongen met pensioen.