Grootschalig zonder raceauto?s of bikini?s

Voor Rutger Wolfson (38) begint op 21 januari de vuurproef: het 38ste Rotterdamse Filmfestival is eigenlijk het eerste festival dat echt van hem is.

Rutger Wolfson (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) International Film Festival Rotterdam (IFFR) directeur Rutger WOLFSON (1971) . foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Rotterdam, 24 december 2008
Rutger Wolfson (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) International Film Festival Rotterdam (IFFR) directeur Rutger WOLFSON (1971) . foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Rotterdam, 24 december 2008 Mentzel, Vincent

In deze laatste maand zie je waarom het Internationale Filmfestival Rotterdam uit zijn kantoor aan het Schouwburgplein barst. Het zoemt er van de activiteit: elk kamertje puilt uit van beeldschermen en nijver typende jongelui, op de gangen wordt gebeld en overlegd tussen stapels dozen. Een prettige chaos.

Het 38ste filmfestival van Rotterdam nadert. Op 21 januari opent het met de debuutfilm The Hungry Ghosts van Michael Imperioli, vooral bekend als de verslaafde neef Christopher uit de maffiaserie The Sopranos. Hungry Ghosts is tevens de titel van een cyclus Aziatische horrorfilms, waarbij zes regisseurs een spookhuis mogen inrichten. Grappig toeval, zegt festivaldirecteur Rutger Wolfson: de openingsfilm gaat over dolende zielen in New York „terwijl de geesten van de Aziatische horror een ander soort honger hebben.”

Eigenlijk is dit het eerste filmfestival van Rutger Wolfson. Halverwege 2007 stapte hij op een rijdende trein toen hij ad interim inviel voor Sandra den Hamer, die naar het Filmmuseum vertrok, en Rotterdam geen internationaal zwaargewicht wist aan te trekken. De kennismaking beviel: in maart werd hij voor vier jaar tot directeur benoemd.

Helemaal zonder reserve ging dat niet. Wolfson, die het Middelburgse kunstmuseum de Vleeshal op de kaart zette, is in de filmwereld een buitenstaander. Geen echte cinefiel, wat een handicap zou zijn bij het aansturen van zijn even deskundige als eigenzinnige programmeurs. De vorige editie van het Rotterdamse filmfestival ging niet in de annalen als een hoogtepunt: te weinig avontuur en jong talent, zo luidde de kritiek – de zaken waarop Rotterdam zich graag laat voorstaan. Dat in de competitie van de Tiger Awards, de filmprijs van Rotterdam, films meedongen die elders in première waren gegaan, zou statusverval zijn.

Rutger Wolfson geldt als charismatisch: op zijn 29ste was hij al kandidaat als directeur van het Groninger Museum. Dat charisma zit hem minder in ongenaakbaarheid dan in jongensachtig enthousiasme. Bij Wolfson buitelen de woorden over elkaar heen en verdwijnen halve zinnen terwijl hij monter zijpaden op galoppeert („Maar wat was de vraag ook alweer?”). Tot sweeping statements is hij niet geneigd, hij gebruikt veelvuldig tussenwerpsels als „een beetje” en „toch wel”. Misschien is het daarvoor te vroeg.

Uiteraard heeft Wolfson 2008 gebruikt om filmfestivals af te reizen, zijn netwerk op te bouwen en films te zien. „Maar een filmkenner ben je als anderen dat vinden. Volgens mij sprak uit de kritiek op mijn filmkennis vooral bezorgdheid over de artistieke integriteit van dit festival. Die angst is ongegrond. Ik kom uit de beeldende kunst, waar artistieke integriteit nog een tandje belangrijker is dan in de film, die toch ook een industrie is.” Wat het grootste verschil is tussen een kunstmuseum en het Rotterdamse Filmfestival? De schaal, zegt Wolfson: op een festival met honderden films druk je minder gemakkelijk een stempel. „Want uw vraag is eigenlijk: wat is mijn persoonlijke stempel? Die vraag hoor ik steeds, ik zou er een website over moeten openen.”

U bezocht het festival als tiener al. Had u toen al ideeën over wat een goed festival is?

„Nee, wat me bij bleef waren films. Die keer dat ik volstrekt onvoorbereid Blue Velvet van David Lynch binnenliep. Wat een ontdekking.”

Wat maakt Rotterdam uniek?

„Onze kwaliteiten zijn het ontdekken van jong talent, een kritische eigen smaak en het vermogen zaken op de agenda te zetten. Daarin zijn wij toch wel vrij uniek. Bij de meeste festivals draait het om individuele films, wij zoeken ook vragen, thema’s en verbanden.

Rotterdam is enorm grootschalig en populair, terwijl de programmering absoluut niet populistisch is. Ik ken geen evenement van een dergelijke omvang dat zo compromisloos is. Normaliter komen bij zoiets raceauto’s of meisjes in bikini kijken.”

Dat publiek bezoekt massaal de meest obscure films.

„Dat is het bijzondere van het Rotterdamse publiek. Het klinkt sentimenteel, maar hier kondig je een filmmaker aan voor een volle zaal, die nooit zoveel mensen op zijn première krijgt. En dat publiek heeft echt belangstelling. Dat verklaart deels waarom filmmakers graag naar Rotterdam komen: een open sfeer zonder hysterie rond de rode loper. Ze kunnen zich zonder gedoe onder collega’s en het publiek bewegen.

Waar staat Rotterdam nu in de hiërarchie van filmfestivals?

„In Europa zijn wij na Cannes, Berlijn en Venetië het vierde festival. Heb je het over kaartverkoop, dan zijn wij na Berlijn en Londen het derde festival. Al blijft het appels met peren vergelijken.”

Berlijn, dat op 5 februari begint, is de directe concurrent van Rotterdam. Zijn er dit jaar filmmakers waaraan beide festivals trekken?

„Er zijn er elk jaar een paar. Berlijn is een klinkende naam, maar ontleent zijn status aan de rode loper. Moeilijke films raken daar snel ondergesneeuwd, ervaren mensen weten dat.”

Noem eens een filmmaker die Rotterdam boven Berlijn verkoos?

„We wilden graag de nieuwste film van Aleksej Balabanov [Russisch regisseur van Cargo 200, red] Cannes vindt hij een bourgeoisfestival, en hij verkiest Rotterdam nu boven Berlijn.”

Films die vorig jaar meedongen naar de Tiger Awards waren eerder elders te zien. Wereldpremières bepalen toch je status.

„We tillen daar ook zwaar aan, het aantal premières blijft met 104 zo'n beetje gelijk, zo'n 40 daarvan zijn wereldpremières. Maar een helder artistiek profiel telt zwaarder dan een mindere film programmeren louter en alleen omdat hij kakelvers is.”

U gaat over het Hubert Bals Fonds, dat filmmakers in de Derde Wereld steunt. Moet die hun films dan ook niet eerst in Rotterdam vertonen?

„Als een film in Cannes in première kan gaan, is dat soms voor de film, de filmmaker en voor het Hubert Bals Fonds voordelig. Of neem de Indonesische film Blind Pig Wants to Fly, die meedoet voor de Tiger Awards. Daarvan hadden wij de wereldpremière kunnen opeisen, maar we vonden het beter dat hij eerst in Pusan draaide (het belangrijkste Aziatische filmfestival, red) De regisseur is voor zijn loopbaan afhankelijk van Azië, daar moet hij dus gewoon zijn.”

Levert het Hubert Bals Fonds Rotterdam dan iets op?

„Het is een lean and mean machine. De research wordt door het festival zelf gedaan, de overhead is anderhalve medewerker, het geld komt direct op de goede plek. In de filmindustrie ben je pas een speler als je geld hebt. In Cannes staan we met het Hubert Bals Fonds, we zijn beter op de hoogte wat filmmakers doen. En het geeft status, we bewijzen onze smaak en neus voor talent met succesvolle films.”

Wolfson liet vorig jaar weten dat het festival overzichtelijker moest worden: het publiek dreigde te verdwalen in een doolhof van programmaonderdelen. Dit jaar is alles ondergebracht in drie secties. Bright Future voor debutanten en jong talent, Spectrum voor films van gevestigde filmmakers, Signals voor speciale programma’s en retrospectieven.

Waarop wilt u de aandacht vestigen bij dit filmfestival?

„We hebben een cyclus Aziatische horror. Veel festivals hebben zo’n Midnight Madness-achtig onderdeel, wij geven ook context. Dat Aziatische filmmakers en publiek zulke films anders beleven omdat ze echt in geesten geloven.

En Size Matters: drie filmmakers maken films om op de flatgebouwen van Nationale Nederlanden en Robeco te projecteren. Dat is baanbrekend. Je ziet steeds meer bewegend beeld in de openbare ruimte in de vorm van reclame, informatievoorziening of lichtdesign, terwijl film bij uitstek het medium is met een traditie in het maken en interpreteren van beelden. Filmmakers maken iets voor een generiek doek, hier gaat het om een zeer specifiek scherm en locatie. Dat soort experimenten hoort echt bij Rotterdam.”

Met iemand uit de museumwereld verwacht je dat het randgebeuren van performances, exposities en installaties een grotere rol gaat spelen

„Het is niet langer randgebeuren, het staat in het hart van het festival. Alle secties bevatten dit jaar zowel speelfilms als randprogrammering. Dat is een belangrijk verschil met het verleden. Er is een groeiende overlap tussen korte film en performance, tussen beeldscherm en filmdoek. Veel filmmakers kiezen per project voor een medium of een distributiewijze. Ze maken een speelfilm op 35 millimeter print, een film van twaalf uur in een museale context of zetten iets direct op YouTube. Alles versmelt, daarvoor moet je in de opzet ruimte scheppen.”

U heeft nog niet gezegd welk stempel u op Rotterdam wilt drukken.

„Natuurlijk breng ik iets in, de buitenprojecties van Size Matters. Maar je voert vooral de regie, zorgt voor de juiste mix van ideeën van anderen. Maar de nieuwe programmaopzet is van mij en bij de selectie voor de Tiger Awards hak ik de knopen door.”

    • Coen van Zwol