Doorpompen van vloeistof houdt uitgenomen donornieren beter goed

De machine om donornieren te spoelen met bewaarvloeistof die tijdens het onderzoek werd gebruikt. foto organ recovery Systems
De machine om donornieren te spoelen met bewaarvloeistof die tijdens het onderzoek werd gebruikt. foto organ recovery Systems organ recovery Systems

Uitgenomen donornieren moeten tot het moment van transplantatie zo goed mogelijk ‘vers’ gehouden worden. Meestal worden ze daarvoor ontdaan van bloed, gevuld met een speciale bewaarvloeistof en op ijs vervoerd van donor naar ontvanger. Beter is het echter om ze aan te sluiten op een pompje dat er permanent bewaarvloeistof en zuurstof doorheen pompt. Na de transplantatie slaan de nieren dan beter aan en ook na een jaar doen ze het beter dan nieren die op de gebruikelijke manier zijn behandeld. Tot die conclusie komt een internationale onderzoeksgroep onder leiding van de Groningse hoogleraar transplantatiegeneeskunde Rutger Ploeg. De nieuwe methode maakt het onder andere mogelijk om kwalitatief wat mindere nieren te transplanteren, waardoor het aantal donornieren kan toenemen (The New England Journal of Medicine, 1 januari).

Er is niet alleen een nijpend tekort aan donornieren; de kwaliteit van de organen die wel beschikbaar komen, is vaker niet zo goed. Dat komt doordat donoren gemiddeld ouder worden. Bovendien zijn nieren steeds vaker afkomstig van donoren die niet aan hersendood stierven, maar aan een hartstilstand. Bij hersendood kan het hart doorkloppen. De nieren van non heart beating-donoren daarentegen zijn wel bruikbaar, maar het duurt na de transplantatie soms enige dagen eer ze op gang komen. De ontvanger moet dan nog gedialyseerd worden.

De indruk bestond dat de nieren sneller aansloegen als ze tijdens de bewaarperiode op een pompje waren aangesloten dat er bewaarvloeistof en zuurstof doorheen pompt. Het ene transplantatieteam deed het zus, het andere deed het zo. Onderzoek moest uitkomst geven.

Bij 336 donoren uit Nederland, België en Duitsland werd één van de nieren – de meeste donoren geven twee nieren – op zo’n pompje aangesloten en de andere in bewaarvloeistof bewaard. Bij alle 672 ontvangers hielden de onderzoekers bij hoe snel de nier ging werken, hoeveel afstotingsreacties er waren en of de nier het na een jaar nog deed. Nierdialyse na de operatie was bij de ‘gepompte’ nieren duidelijk minder vaak nodig en duurde dan korter. De gepompte nieren zuiverden het bloed beter in de eerste weken na de transplantatie. Een jaar later functioneerde 94 procent van deze nieren goed, tegen 90 procent van de andere nieren.

Toch zijn de onderzoekers nog niet tevreden. Nu er een goede spoelvloeistof bestaat is de koudeshock misschien niet meer nodig. Ze experimenteren momenteel met bewaarmethoden waarbij de organen op lichaamstemperatuur blijven. Huup Dassen