Berichtgeving over Uruzgan is eenzijdig

De media waren minder kritisch over Uruzgan dan de weblogs van de soldaten

@ WAR Illustratie Sebe Emmelot
@ WAR Illustratie Sebe Emmelot Emmelot, Sebe

Henri Beunders is hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en CultuurJelena Buljac is onderzoekster Bestuurskunde, beiden aan de Erasmus Universiteit.

Bijna elke oorlog kent zijn verrassingen. Ook de militaire missie in Uruzgan. Het ongekend massieve, en voor Defensie succesvolle, mediaoffensief met ‘embedded journalism’ wordt verstoord door de onverwachte kritiek van de eigen militairen op de missie via internet: door ‘friendly fire’ dus.

De reguliere journalistiek moet zich onafhankelijker opstellen tegenover Defensie, de balans in de berichtgeving over heel Afghanistan moet beter.

Het is een cliché: Het eerste slachtoffer van de oorlog is de waarheid. Het is ook een cliché dat generaals zich meestal voorbereiden op de vorige oorlog. Het is geen cliché dat de journalistiek over, zeg, de laatste anderhalve eeuw – uitzonderingen daargelaten - een tamelijk povere staat van dienst heeft als het gaat om oorlogsverslaggeving. Lees The First Casualty van de Britse speurjournalist Philip Knightley er maar op na.

Deze waarheid wordt door de media niet graag erkend, al zijn er wel kranten geweest die naderhand een harde zelfevaluatie hebben gepleegd. The New York Times deed dit na de Golfoorlog in 1991 en na de invasie in 2003 in Irak. Men had zich laten meeslepen door het patriottisme, en te weinig onderkend wat de nadelen zijn van de ‘embedded’ berichtgeving zoals te grote identificatie met de eigen militairen: ‘Wij worden bestookt!’ De beste oorlogsverslaggeving komt meestal van journalisten uit neutrale landen.

Als we de balans opmaken van tweeënhalf jaar Nederlandse berichtgeving over Uruzgan dan is de conclusie drieërlei.

De eerste is dat Defensie nog zelden zo’n groot en succesvol mediaoffensief heeft gevoerd om de publieke opinie aan de goede kant te houden over deze van aanvang aan politiek omstreden missie. Iedereen is welkom in Kamp Holland, van de kwaliteitsmedia tot Arnon Grunberg, Stan Huygens Journaal, de Viva en GeenStijl. En ze komen allemaal – het zijn er intussen vele honderden geweest – want het is immers een geheel verzorgde, gratis trip. Er zijn gunstige uitzonderingen van onafhankelijke verslaggeving. Peter ter Velde die een aantal malen zelfstandig op stap ging voor het Journaal, Deedee Derksen die in de loop van vorig jaar voor de Volkskrant werd gestationeerd in de Afghaanse hoofdstad Kaboel, een aantal verslaggevers die voor deze krant zelfstandig nieuws vergaarden. Maar in tegenstelling tot de Balkanoorlogen zijn in de door ons onderzochte periode tot begin 2008 geen media geweest die het moreel en financieel verantwoord vonden het leven van verslaggevers in de waagschaal te stellen om langdurig op eigen houtje verslag te doen van de oorlog.

Het succes voor Defensie uit zich in de voor Nederland opmerkelijke stijging van de waardering voor ‘onze jongens’. Het aantal Nederlanders dat trots is op de eigen militairen is gestegen van 49 procent in augustus 2006 tot 66 procent in mei 2008. Tijdens de Nederlandse Veteranendag eind juni 2008 in Den Haag werden de jonge en oude veteranen gadegeslagen en toegejuicht door 55.000 belangstellenden.

De tweede conclusie is dat deze dominantie van Defensie in de berichtgeving een boemerangeffect heeft: het gegroeide respect voor de militairen gaat vergezeld van groeiende kritiek op de missie zelf. De oorzaak van deze schaarbeweging is tweeërlei.

Veel media lijken een schuldgevoel te hebben over al die gratis reisjes naar Kamp Holland en de grote eenzijdigheid die dit in de, soms gecensureerde, berichtgeving tot gevolg heeft. Die eenzijdigheid is in diverse inhoudsanalyses aangetoond. Volgens een ervan, van het The Hague Centre for Strategic Studies, legt 93 procent van de artikelen in de kranten de focus op de eigen militairen en hun activiteiten. Ter vergelijking: de berichtgeving over het Kosovo-conflict tien jaar geleden ging slechts voor 0,9 procent over de Nederlandse militairen.

De Talibaan, Afghaanse politici of de Afghaanse burgers zelf worden in vergelijking met de militairen weinig aan het woord gelaten. En we horen nagenoeg niets over hoe het gaat in de gebieden waar al die andere ISAF-landen bezig zijn met peacekeeping en opbouwwerk. Ter compensatie van dit schuldgevoel worden er door media opiniepeilingen gehouden onder de militairen, en wordt in alle mogelijke programma’s op radio en tv de bewindslieden en militaire leiders het vuur aan de schenen gelegd, op basis van die peilingen en op basis van het negatieve oordeel van een enkele ‘embedded’ journalist als Joerie Boom of de ‘old hand’ oorlogsverslaggever Arnold Karskens die in zijn eentje opereert, als ‘unilateral’, en daarna thuis voor de kritische noot moet zorgen.

De derde conclusie is de interessantste: de rol van internet en de groeiende kritiek van de eigen militairen op de missie. Deze ‘friendly fire’ uit eigen kring is voor Defensie de even onvermoede als ongewenste strategische verrassing. Toen het kabinet-Balkenende eind 2005 van plan was het verzoek van de VS en de VN in te willigen om vanaf medio 2006 twee jaar lang permanent circa 1.500 militairen in Uruzgan te stationeren, zag Commandant der Strijdkrachten Dick Berlijn minstens twee problemen. Het zou er waarschijnlijk minder vreedzaam aan toegaan dan in Irak tussen 2003 en 2005. En hij zou misschien een probleem krijgen met het werven van voldoende vrijwilligers, namelijk vele duizenden.

Berlijn wilde daarom het verblijf in Kamp Holland wat aangenamer maken dan in Zuid-Irak het geval was geweest. Daar was het niet alleen permanent heet, maar werd ook geklaagd over het isolement. Door het tekort aan communicatiemiddelen, en starre militaire principes, kon een militair slechts drie minuten per dag bellen naar zijn of haar familie of vrienden. Of deze minuten opsparen tot een ‘belbundel’ van 21 minuten, één keer per week.

Daarom verzocht hij staatssecretaris Cees van der Knaap (CDA) onder andere toe te zeggen dat er voor ‘onze jongens’ meer ontspanningsmogelijkheden zouden komen, inclusief veel ruimere communicatie met thuis. Van der Knaap voegde deze eis toe aan het verlanglijstje voor de Amerikanen. Deze willigden die eis in: er zou permanent een satelliet beschikbaar zijn voor al het communicatieverkeer van de Nederlandse Task Force Uruzgan.

Van der Knaap, die zelf geen pc in zijn werkkamer had en naar eigen zeggen ook geen verstand wilde hebben van computers en internet, was dubbel blij om deze toezegging: onbeperkt internetten voor de militairen en nog gratis ook. De gevolgen van deze permanente satellietverbinding zou leiden tot een nieuwe communicatierevolutie op het slagveld: de laptoppende militair als ongecontroleerde journalist.

Een kritische houding van journalisten was ingecalculeerd, niet de kritische geluiden van de uitgezonden militairen zelf, geuit via ‘de nieuwe media’: in dagboeken op Hyves, Facebook, waarbenjij.nu en het Uruzgan Weblog (oruzgan.web-log.nl), in home videos op YouTube en LiveLeak, en ook in harde discussies op Condoleance.nl na het sneuvelen van weer een militair.

Het communicatieplan dat Defensie in juli 2006 had opgesteld voor deze politiek omstreden en dus ‘bijzondere missie’ was van een ongekende openheid en intensiteit. Men had lering getrokken uit Bosnië waar Defensie niet meester over de media was geweest. De honderden journalisten waren overal, de berichtgeving was zeer gevarieerd. Maar vooral sommige beelden pakten desastreus uit: de toast van Karremans met de Bosnisch-Servische commandant Ratko Mladic, de bier drinkende en hossende militairen na Srebrenica, het ‘verdwenen’ filmrolletje. Na de Golfoorlog had de Amerikaans-Britse invasie in Irak opnieuw aangetoond hoe gunstig ‘embedded’ journalistiek uitpakte voor de operatie.

Zo werden de trefwoorden van het communicatiebeleid: ‘open, helder, transparant, realistisch’, want: ‘begrip leidt tot waardering’. Het impliceerde ook continuïteit in de berichtgeving, voor het thuisfront, de bevolking en de politiek. Nederland was immers een heel ‘directe democratie’: ‘Wat vandaag in de krant staat, is morgen aan de orde in de Tweede Kamer en overmorgen leggen de bewindslieden er verantwoording over af (..) Het is dus in belang van Defensie zelf initiatieven te ontplooien’. De methoden: Thuisfront Informatiedagen, persbriefings in Den Haag, ‘embedded journalism’, persreizen, VIP-reizen voor politici en bekende Nederlanders, het aanwenden van regionale en lokale media, levering van door de Audiovisuele Dienst Defensie vervaardigd materiaal en een ‘video feed point’ via de permanent beschikbare satellietverbinding. Ook ‘nieuwe media’ zouden worden aangewend: de gratis dagbladen als Metro en Spits, en internet.

Defensie besefte namelijk dat het aantal media dusdanig was gegroeid dat regionale en lokale media onvoldoende aan hun trekken zouden komen. Daarom dienden de uitgezonden militairen contact te gaan onderhouden met de media uit hun woonplaats, ‘door middel van periodieke columns, dan wel weblogs’. Wat men wel en niet mocht schrijven, zoals informatie die de ‘Operations Security’ (Opsec) in gevaar kon brengen, werd niet precies vastgelegd. En Defensie ging ervan uit het meeste internetcontact zou lopen via de site van Defensie, Defensieforum.nl.

Tegenover de groeiende trots op de militairen staan andere cijfers: het percentage Nederlanders dat de missie verantwoord vindt daalde in mei 2008 naar 27 procent, het percentage dat denkt dat de missie zal bijdragen aan de wederopbouw daalde van 55 procent naar 21 procent. De internettende militairen lijken hier zelf geen geringe bijdrage aan te hebben geleverd. Via al hun ‘miliblogs’, of alle mogelijke andere fora waarop zij zich uiten – met woorden én gsm-beelden - over hun activiteiten, ‘de Afghanen’ en de missie als geheel.

Op waarbenjij.nu verschenen tot medio 2008 ruim 1.400 berichten van militairen in Uruzgan. Die dagboeknotities variëren sterk, van onschuldig – „Ik ben vandaag voornamelijk bezig geweest met munitie tellen” en ernstig – „Ik zit nog steeds in een zware dip” of „We willen naar huis!” – tot kritisch: „Ik zag een Afghaan in de bosjes zijn behoefte doen. Het liefst schiet ik een kogel dwars door zijn tulband heen, maar in plaats daarvan moet ik controleren of hij geen bermbom naast zijn behoefte heeft neergelegd”.

Een ISAF-instructeur omschreef in 2007 de Afghanen als „een zootje ongeregeld van jurken en baarden, die niet eens weten hoe oud ze zijn, en slechts na 12 dagen opleiding in politie-uniform gehesen moeten worden, terwijl ze niet eens het verschil weten tussen een linker en een rechter schoen, laat staan deze kunnen strikken”. Veel militairen schetsen een hopeloos beeld van onderdelen van de wederopbouw, zoals in mei 2008: „Bij gebrek aan beter meet Defensie het plaatsen van een paar tafeltjes in een school, en een paar bezems in de straat, al breed uit. Dan is het offer van veertien doden en vele verminkten te hoog!” Dit soort observaties vernamen we niet van de doorsnee embedded journalist.

De intense en soms zeer kritische communicatie van de militairen met hun thuisfront bleef lange tijd onopgemerkt. Men moet immers de naam weten van een militair om er ‘vrienden’ mee te worden op bijvoorbeeld Hyves. Een naam werd pas duidelijk na het sneuvelen van een militair. Cor Strik was de eerste die sneuvelde door oorlogshandelingen. Hij stapte in april 2007 op een bermbom. Deze daad werd direct door internettende maten verbitterd omschreven als die ‘stiekeme en laffe’ methode van de vijand. Toen begonnen journalisten de sites af te speuren, en kwamen al surfend op allerlei persoonlijke sites en groepshyves (zoals ‘support our Troops’). En natuurlijk op de condoleance-sites, waar behalve duizenden uitingen van medeleven en respect ook harde kritiek werd geuit op de missie. Zo kwam het ‘friendly fire’ van de militairen op de missie in ‘de oude media’ terecht.

Aan onderschatting van het nieuwe medium internet leed niet alleen Defensie in Den Haag. Ook de andere ISAF-deelnemers overkwam dit, zelfs de Amerikanen. Zij namen wel eerder harde maatregelen. In mei 2007 werd niet alleen de toegang via de Pentagon-site tot allerlei entertainment-sites geblokt, ook vele sites waar Nederlandse militairen nog altijd toegang toe hebben, zoals YouTube.com, MySpace.com, LiveLeak.com en MTV.com. En daar trekken de zelfgemaakte filmpjes veel kijkers.

In Den Haag is de internetredactie fors uitgebreid om sites als Hyves te scannen. Als er informatie over operationele veiligheid of een negatieve uitlating over ‘de Afghanen’ wordt gesignaleerd, is één telefoontje met de provider voldoende om de site uit de lucht te halen.

Ook voor de embedded journalistiek zijn de teugels nu strakker aangetrokken, strakker dan bij bijvoorbeeld de Amerikanen. Er is in Kamp Holland een pasjessysteem ingevoerd zodat journalisten zich niet langer vrijelijk in alle barakken van Kamp Holland mogen begeven.

Maar ook al bleek er een ongekende wereld van communicatie te bestaan op internet – van militairen maar in toenemende mate ook van bezorgde achterblijvers thuis onderling – zonder krant, radio en vooral televisie zou de kritiek daar ook gebleven zijn. Deze hebben de kritiek naar nationaal niveau getild. Dat werd een nieuw probleem voor Defensie. De restrictieve maatregelen ten aanzien van het internetgebruik de embedded journalistiek waren gemakkelijk in te voeren. Maar de discussies op Radio 1, of op televisieprogramma's als Een Vandaag, Netwerk, Nova, Pauw & Witteman en andere werden steeds kritischer.

Zowel de bewindslieden minister Eimert van Middelkoop (ChristenUnie) en Van der Knaaps opvolger Jack de Vries (CDA) als militairen van hoog tot laag – van Berlijns opvolger Peter van Uhm tot Apache-piloot Onno Eichelsheim en de vrouwelijke militair Jaaike Brandsma die haar beide benen verloor – treden in alle mogelijke programma’s op radio en televisie op om sympathie te wekken, de groeiende kritiek op de missie te pareren, en Nederland voor te bereiden op een mogelijke nieuwe verlenging van de missie. Dick Berlijn zei deze week op de radio dat de geallieerden ‘generaties lang’ in Afghanistan zullen moeten blijven, als ‘een zaak van principe’.

Democratie, patriottisme, objectiviteit en oorlogsvoering staan altijd op gespannen voet met elkaar. De verhouding tussen deze elementen is nu echter uit balans. Betekent het relatieve succes voor Defensie niet bijna automatisch een zeker falen voor de journalistiek? En dus een belemmering van een genuanceerde politieke besluitvorming?

Er is een breder beeld nodig van Afghanistan buiten Kamp Holland, zeker gezien het verwachte verzoek van de nog aan te treden regering-Obama om militairen te blijven leveren. Het Genootschap van Hoofdredacteuren en ‘de politiek’ zouden zich hier sterk voor moeten maken.