Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Andijvie, pasta en soms haring in de woestijn

Het eten voor de 2.500 militairen in Kamp Holland wordt in Nederland gekookt. En vervolgens naar Afghanistan gebracht, een barre reis die al snel twee maanden duurt.

In Kamp Holland wordt drie keer per dag veel beter gegeten dan mogelijk lijkt voor de onherbergzame omgeving. Foto’s Bas Czerwinski 01-11-2008, Kamp Holland, Uruzgan, Afghanistan. Militaair fietst met brood over Kamp Holland Foto Bas Czerwinski
In Kamp Holland wordt drie keer per dag veel beter gegeten dan mogelijk lijkt voor de onherbergzame omgeving. Foto’s Bas Czerwinski 01-11-2008, Kamp Holland, Uruzgan, Afghanistan. Militaair fietst met brood over Kamp Holland Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Het diner bestaat uit heekfilet in roomsaus, pasta, ratatouille van tomaten, gebakken kip, gekookte aardappels, andijvie en gebraden rundvlees. Aan te vullen met een keuze uit vijf salades, soep, warme broodjes, roomboter en paté, en als nagerecht zeven soorten fruit, yoghurt en cake. Het is vijf uur ’s middags, topdrukte in de eetzaal van Kamp Holland in Uruzgan, waar elke dag ongeveer 2.500 militairen gevoed moeten worden. Van twee kanten vormen zich rijen voor de metalen bakken waarin het eten wordt warm gehouden. De tafels met plastic bloemenkleedjes stromen vol met Nederlanders, Australiërs, Fransen, Slowaken, Britten.

Vanuit de keuken, achter het buffet, zorgen de medewerkers van het Duitse cateringbedrijf Supreme ervoor dat de schalen geen moment leeg zijn. Er wordt pasta aangevoerd, bakken met aardappels uit een warmhoudkast gehaald, een schaal meloen komt voorbij, iemand haalt pakken melk uit de koelkast voor de cappuccino’s uit de koffiemachine. Een medewerker spuit een rek schoon uit de oven die gereserveerd is voor halal-bereiding. Zwijgend en geroutineerd vervult ieder zijn taak.

In Kamp Holland wordt drie keer per dag veel beter gegeten dan mogelijk lijkt voor de onherbergzame omgeving. ’s Ochtends is er bacon, baked beans en pap, bij de lunch zijn er enkele warme gerechten en kroketten, kipcorns of pizza. ’s Avonds is de keuze ruim en gevarieerd; voor de volgende dag staan onder andere ribeye, aardappelgratin en kalfsschnitzel op het menu. Elke eenheid mag maandelijks een alcoholvrije borrelavond houden met hapjes. Wie jarig is kan kiezen uit drie soorten taart om uit te delen. Een enkele keer is er zelfs haring in de woestijn.

Al dat eten wordt niet gekookt in Kamp Holland, maar in Nederland. Het wordt kant en klaar diepgevroren en verscheept naar de Pakistaanse havenstad Karachi, waar het aan een barre tocht over de weg begint. Vrachtwagens vervoeren het door Pakistan naar de Khyberpas in het grensgebied waar Talibaanstrijders aanvallen uitvoeren op de konvooien. Vandaar gaat het naar Kabul, en dan naar het zuiden. Ook het laatste deel van de route is gevaarlijk en onzeker. Niet zelden is de weg vanuit de hoofdstad afgesloten wegens aanvallen van bandieten, krijgsheren of Talibaan. „Er is een enorm oponthoud aan de grens”, vertelt de manager van de keuken, Michael de Wit. „Soms staan er duizend vrachtwagens te wachten, een andere keer 3.000. Het duurt makkelijk twee of drie maanden voor het eten hier is, en al die tijd moet het op -22 graden gehouden worden.”

De behoefte van de soldaat aan vertrouwd eten is niet de enige reden voor deze omslachtige cateringmethode. Ook voedselveiligheid speelt een belangrijke rol. De boeren in Uruzgan hebben nauwelijks afzetmarkten in de omgeving, maar van ISAF, de NAVO-troepenmacht waar de Nederlandse missie deel van uitmaakt, mogen de bases niet met Afghaanse producten werken. „Alleen de cola komt uit een fabriek in Kabul”, zegt De Wit. „Verse groenten en fruit van hier zijn absoluut niet hygiënisch genoeg, je weet bijvoorbeeld niet wat voor pesticiden er zijn gebruikt. Dat wordt allemaal ingevlogen vanuit Dubai.”

Omdat er niet gerekend kan worden op een constante aanvoer is er een grote voorraad op de basis aanwezig, in rijen van koelvriescontainers met eigen generatoren. Alles bij elkaar kost het eten in Uruzgan ruim zestig euro per persoon per dag.

Die kosten zitten vooral in het transport. Het personeel komt, op manager De Wit na, uit lagelonenlanden. Zo’n 45 Nepalezen en Indiërs werken voor 500 dollar per maand twaalf uur per dag, zeven dagen per week. Ze hebben recht op een halve dag vrij per maand, en mogen twee keer per jaar een paar weken naar huis. „Soms geef ik ze een middagje extra vrij”, zegt De Wit, „als ik zie dat ze er doorheen zitten, als ze dikke wallen hebben en er niet bij zijn met hun gedachten. Uit zichzelf zullen ze daar niet om vragen, ze zijn leergierig en altijd vriendelijk. Ik ben geen boemanmanager. Er kan met mij gepraat worden.” Al is de taal soms een probleem. „Laatst kwam er een nieuwe Indiase jongen bij de afwas werken die geen Engels en geen Hindi sprak. Gelukkig kenden twee anderen zijn dialect.”

Surendra (33) uit Kathmandu is dik tevreden met zijn baan, zegt hij ’s avonds in de televisiekamer. Met zeven landgenoten kijkt hij naar een Nepalese soapserie die via een satellietverbinding wordt ontvangen. Twee Indiërs kijken mee, al kunnen ze het verhaal niet volgen. Surendra verdient veel meer dan hij in Nepal zou doen. Daar kon hij alleen slecht werk vinden. Het werk voor Supreme is ook een hele verbetering vergeleken bij zijn vorige werkgever, vertelt Surendra.

Veel van de mannen zijn geworven in de Golfstaten, waar miljoenen Aziaten vaak onder slechte omstandigheden in de huishouding en de horeca werken. „In Saoedi-Arabië mocht ik maar één keer per twee of drie jaar naar huis. Het eten is hier beter, en het salaris ook.”

De wereld van het keukenpersoneel is beperkt tot de ruimte achter de eetzaal. „We mogen ons niet mengen met de militairen, we mogen nog geen kopje thee met ze drinken”, vertelt De Wit. „Voor je het weet draag je allerlei bacteriën die zij hebben meegenomen uit het veld.” Dat alle dagen hetzelfde zijn accepteert Surendra zonder morren. Na het werk wast hij zijn uniform, neemt hij een douche en eet hij de curry die de mannen twee keer per dag vers voor zichzelf mogen koken. Hij belt elke dag met zijn gezin en kijkt televisie. „Mijn vrouw kan ermee leven dat ik niet thuis ben, en soms voelt deze groep ook aan als familie”, zegt hij met een glimlach. Geen van hen is ooit buiten de poort geweest. „Ik kom nooit in Tarin Kowt, die stad is absoluut niet mensvriendelijk”, vertelt manager De Wit. „Maar ik heb wel Kabul gezien, en Kandahar en Mazar-i-Sharif, en ik denk dat het allemaal wel een beetje op elkaar lijkt.” Het hoeft voor hem ook niet zo nodig. „Je zit in Tarin Kowt, wat wil je anders doen dan werken.”